Robert Noortman over 17de-eeuwse Hollandse schilderkunst

‘De zeventiende eeuwse schilderijen hebben het echte’

Koos de Wilt voor Het Financieele Dagblad

21noortman.600.jpgIk kom absoluut niet uit een de wereld van de kunst. Ik ben opgegroeid in Noord-Holland, waar mijn vader politieagent was. Ik heb mijn middelbare school niet afgemaakt en had in het begin twaalf ambachten, dertien ongelukken. In de handel heb ik van alles verkocht, van auto’s tot ijskasten, tot ik eind jaren zestig in Heerlen in een tapijtenzaak met antieke tapijten terechtkwam. Ik ben daar steeds meer van gaan weten en ben zo langzamerhand ook schilderijen en tekeningen gaan verkopen. De hobby is uitgegroeid tot een handel.

 

Ik verzamel etnografica, trompe l’œils, zilver, tapijten, antieke lijsten, ledenpoppen, Chinese potten, oldtimers, alles wat ik mooi vind. Daarnaast heb ik beelden, glaswerk en objecten die te maken hebben met Vanitas, dus met de vergankelijkheid van het leven. Ik kocht mooie dingen en dat doe ik nog steeds. En als je verzamelt, dan heb je andere mensen die dat dan willen kopen en zo ontstaat er een handel. Zo simpel is het. En zo maak je van je hobby je handel. Als ik een Rembrandt koop voor 72 miljoen gulden, dan vind ik dat prachtig. Dat heb ik dan in voorraad, maar er is geen haar op mijn hoofd die eraan denkt dat ik dat voor mezelf kan houden. Dat is gewoon handel. Met zo’n Rembrandt mag je dan een tijdje leven en de emotie ervan hebben. Maar heb ik een schilderij waar ik het hele jaar ballen gehakt voor moet eten, maar dat net binnen mijn bereik ligt, dan is het wel moeilijk. Mijn favoriet is het schilderij van Jan van Eyck van het huwelijk van Giovanni Arnolfini en Giovanna Cenami uit 1434. Dat paneel zit vol iconografische betekenissen en is zowel in zijn geheel en in al zijn details schitterend. Echt een werk waar je nooit op uitgekeken raakt. Ook de manier waarop die man en vrouw kijken: zo mysterieus! Er is ontzettend veel over dit werk geschreven, maar eigenlijk kennen we het geheim van dat schilderij nog steeds niet. Thuis hebben we van alles, ook veel modern. Kort geleden heb ik een prachtig aquarel van Botero gekocht voor onszelf. De handel is alleen zeventiende eeuwse Hollandse en Vlaamse meesters en Franse impressionisten. Vroeger deed ik ook in Haagse School, maar je ontwikkelt je in een bepaalde richting en merkt dat je je op gegeven moment moet beperken. Je kunt niet in alles handelen en in alles expertise hebben.

 

‘Ik heb mijn middelbare school niet afgemaakt en had in het begin twaalf ambachten, dertien ongelukken. In de handel heb ik van alles verkocht, van auto’s tot ijskasten, tot ik eind jaren zestig in Heerlen in een tapijtenzaak met antieke tapijten terechtkwam.’

 

 

Ik heb op de zaak in Maastricht twee kunsthistorici in dienst die niets anders doen dan kunsthistorisch research. Die kunsthistorici vullen mij aan en ik vul hen aan. Kunstgeschiedenis kun je leren, kijken en kwaliteit herkennen kun je ontwikkelen en verfijnen, maar niet leren. Dat heb je of heb je niet. En dat heb ik, althans men zegt dat ik dat heb. Maar om een stuk heel precies te dateren is iets voor de kunsthistorici. Die zien aan een doek dat de kleding die gedragen wordt in 1640 moet zijn want in 1638 was die mode er nog niet. Dat zie ik niet. In mijn vak gaat het connaisseurschap en de wetenschap steeds meer samen. Technisch onderzoek is ook een enorme wetenschap geworden. Aan de hand van het houten paneel en het canvas kun je veel te weten komen over de datering en de toeschrijving. Dat gebeurt met infrarood, röntgen en bijvoorbeeld dendrochronologisch onderzoek. Vroeger was het alleen fingerspitzengefühl. Ik heb vaak gezien dat kunsthistorici, als ze werkelijk voor een schilderij stonden, de schoonheid op de tweede plaats zetten na de relevantie voor de kunsthistorie. Een minder goed schilderij vinden ze toch belangrijk, omdat het als schakel in de kunstgeschiedenis belangrijk is. Ik ben autodidact, ik heb er niet voor gestudeerd. Voor mij gaat het er vooral om hoe het gemaakt is, de kwaliteit. Maar beide zijn belangrijk. Kort geleden is er bij Sotheby’s een geweldig doek van Paulus Bor geveild voor 630.000 euro. Het was getaxeerd op veertig- tot zestigduizend euro. Samen met een collega waren we onderbieder voor 620.000 en we hebben het niet gekregen. We wisten dat het veel meer ging opbrengen. Dat voel je zo aan, ik kan dat vaak op vijf procent nauwkeurig inschatten. Bor is een beroemde meester, een bijzondere kunstenaar. Net als Michaël Sweers een belangrijke man in de kunsthistorie. Kortom, echt een museaal schilderij. Deskundigen hadden geen idee dat het zoveel zou opbrengen, er was immers geen vergelijkingsmateriaal. En dan komt te aan op fingerspitzengefühl.  Dat heeft de handel dus wel. Het leuke was dat andere handelaren dat ook hadden bij dat schilderij. Er was een ring van vier dealers uit Engeland, vrienden van me, die ook de schoonheid en de schaarsheid zagen en wisten dat er tien musea in de wereld zijn die zo’n schilderij zouden willen kopen om het aan het nageslacht na te laten. Dat maakt de handelswaar hoger. En dat is misschien vervelend, maar zo is het nou eenmaal. Ik weet zeker: dat schilderij komt straks in een museum te hangen.

 

‘Voor de oude kunst heb je drie soorten klanten. Je hebt de echte verzamelaars die het hele jaar ballen gehakt eten om goede kunst te kopen. Ten tweede heb je de instituties, de musea, en ten slotte de beleggers, de speculanten.’

 

Je kunt vaak wel aan de mensen zien wat ze kopen. De snelle mensen kopen moderne kunst en de meer bezadigde mensen kopen oude meesters. Voor de oude kunst heb je drie soorten klanten. Je hebt de echte verzamelaars die het hele jaar ballen gehakt eten om goede kunst te kopen. Dat kan overigens ook voor duizend gulden. Ten tweede heb je de instituties, de musea, en ten slotte de beleggers, de speculanten. Kunst is tegenwoordig een kwestie van asset allocation. Als je een bepaald bedrag waard bent, dan koop je ook een paar dingen waar je van houdt. Dat doe je dan als hobby, dan stop je tien procent van je vermogen in kunst. Dat is mooi om mee te leven en geeft een extra spirit. Als mensen beginnen met verzamelen dan beginnen ze vaak met de Romantiek. Van daaruit gaan ze dan vaak over op de oude meesters. Dan vinden ze de Romantische werken te doods worden, te geromantiseerd. Mensen willen het echte leven zien. Als je over de A2 van Maastricht naar Amsterdam rijdt, zie je al die Ruisdael-luchten, echte luchten. De schilders uit de zeventiende eeuw wilden geen plaatjes maken, maar een atmosfeer weergeven, de dreiging van wolken, het vee, het bosgezicht. Schilders als Schelfhout, Leickert en Koekkoek waren geen realisten, maar mensen die het mooier wilden maken dan het is. Dat waren plaatjesschilders en daar houd ik niet van. Er is nu veel geld te verdienen aan de Hollandse Romantiek, mensen vinden die plaatjes mooi, maar ik doe daar iet in mee. De zeventiende eeuwse schilderijen hebben het echte. Die hebben schilders Engelse schilders als Gainsborough en Constable en de Franse landschapsschilders geïnspireerd.

 

Wat dat betreft is het niet zoveel anders dan die twee krijgers in het oerwoud die allebei een zo mooi mogelijk slagwapen willen hebben om zo ze populairder te worden bij de vrouwen. Mensen willen laten zien wat ze hebben, ze willen pronken.

 

Sinds ik in het vak zit, is er veel veranderd. Het is vooral de laatste jaren veel commerciëler geworden. Soms vind ik dat wel eens jammer. Je leest het in alle kranten. NRC heeft iedere dag kunst, het Financieele Dagblad schrijft er veel over, Harold Tribune geeft marktoverzichten en veilingopbrengsten. De markt is veel doorzichtiger geworden. Het is een financiële markt geworden. Vroeger speelde het zich allemaal af in galerijen en in zalen, tegenwoordig gebeurt het vooral op veiling en beurzen. Natuurlijk komen er nog wel mensen naar de galerie. Bij de handel komen mensen die zekerheid willen over het werk, zekerheid over de prijs en over de kwaliteit. Bovendien kunnen ze het een tijdje op proef krijgen. Bij een veiling kan dat niet en neem je meer risico. De groep mensen die kunst koopt, is breder geworden. Als je al een paar dure auto’s hebt, kun je je met kunst onderscheiden. Wat dat betreft is het niet zoveel anders dan die twee krijgers in het oerwoud die allebei een zo mooi mogelijk slagwapen willen hebben om zo ze populairder te worden bij de vrouwen. Mensen willen laten zien wat ze hebben, ze willen pronken. Als mensen een dinnerparty hebben dan willen ze daarna een after dinnertalk hebben over kunst. Niet alleen over schilderijen, maar ook over oude auto’s en bijvoorbeeld glas. Het zijn vooral ook de herkenbare werken die torenhoge prijzen hebben gekregen. Dat mensen bij iemand thuis komen en direct zien dat er een Renoir of een Van Gogh aan de muur hangt. Aan de andere kant geeft kunst ook meer. Ik zie heel veel grote industriëlen wereldwijd en die hebben het de hele dag razend druk. Dan maak ik een afspraak voor over een maand om tussen twee en vier langs te komen. En dan kom ik op een zondag bij ze langs en tref ze dan heel ontspannen in een poloshirt, dan hebben ze net gegolft en vinden het dan heerlijk om even een paar uur over kunst te kletsen. Dan kunnen ze helemaal relaxed even in een andere wereld duiken. Maandag zijn ze dan weer om zes uur op kantoor waar ze de hele dag dan weer moeten vergaderen. Je ziet heel vaak dat die mensen zich in kunst gaan verdiepen en daardoor helemaal tot rust komen. Ik ben 56 nu en mensen vragen me wel eens wanneer ik er nou eens mee ophoud. Ik denk dat een kunsthandelaar nooit ophoudt. Je kunt minder gaan doen, ik heb mijn zaak in New York en Londen dicht gedaan en werk nu alleen vanuit Maastricht. Amerikaanse verzamelaars en museumlui vinden het veel interessanter om in het oude Europa een schilderij te ‘ontdekken’ bij een veiling of bij mij dan dat ze het op om de hoek vinden. Daarom heb ik mijn handel nu geconcentreerd in Maastricht. Maar van daaruit ben ik altijd op zoek en blijf altijd jagen naar mooie dingen. Een echte kunsthandelaar sterft ook in het harnas. Zoals de grote David Koetser uit Zürich en Edward Speelman.  

Terug naar kunstwaarde