Aaron Betksy over Nederland en architectuur

wie?wat? met wie? filmsboeken bladenvisiemedia contactwho?

‘Bij de meest interessante gebouwen weet je niet of die nou
door een kunstenaar of architect gemaakt zijn’

Sinds 2001 is Aaron Betksy (1958) directeur van het Nederlands Architectuur Instituut (NAi). Hij groeide op in Amerika en Nederland en studeerde architectuur aan Yale. Betsky heeft een bijzondere band met Nederland en Amerika. In Portfolio een gesprek over de architectuur, beeldende kunst en de unieke plaats die Nederlanders daarin spelen.

Interview van Koos de Wilt, eerder gepubliceerd in Portfolio Magazine

Mijn ouders waren beiden professor Amerikaanse en Engelse literatuur. Ze hadden wel belangstelling voor architectuur, maar mijn eigen belangstelling ervoor is ontstaan toen ik een keer thee ben gaan drinken bij mevrouw Schröder. Ik schreef een werkstukje over De Stijl en toen heeft mijn lerares voor mij een afspraak met haar gemaakt en ben ik daar naartoe gefietst. Dat heeft een enorme indruk op me gemaakt. Ik heb vóór mijn vierde en vanaf mijn zestiende in Amerika gewoond en kijk dus naar Nederland als een Nederlander, maar ook als Amerikaan. Zo kijk ik ook naar de Nederlandse architectuur. Dit land heeft een geweldige historie die in de zeventiende en achttiende eeuw startte bij de bouw van de Amsterdamse grachtengordel. Daarna is er even niets geweest en ook in de negentiende eeuw draaide Nederland internationaal niet echt mee. Cuijpers wordt dan wel genoemd, maar ik zet daar persoonlijk grote vraagtekens bij. Maar na hem begint natuurlijk een interessante rij architecten met Berlage, Duiker, Rietveld, Brinkman & van der Vlugt, Oud, Van Eyck en Dudok. Dit is de plek om te zijn als je geïnteresseerd bent in architectuur. Het is misschien een cliché dat Nederland een gemaakt land is, dat het landschap hier kunstmatig is en dat dus alles architectuur is, maar het klopt wel. De architectuur is hier ingebakken. Ook omdat de overheid hier altijd concrete stappen heeft ondernomen om de kwaliteit van de Nederlandse architectuur beter te maken. De drie architectuurnota’s hebben ervoor gezorgd dat er nu per jaar zo’n dertig miljoen euro wordt uitgegeven aan de stimulering van de architectuur. Dat is ontzettend veel voor zo’n klein land. Daarbij hebben we het geluk gehad dat hier een paar interessante architecten aan de gang zijn gegaan zoals Koolhaas, Van Berkel en bijvoorbeeld de architecten van Meccano. Kortom, dit zijn echt de hoogtijdagen van de Nederlandse architectuur. Het is de vraag hoe lang we dat kunnen volhouden aangezien de architectuurscholen mij op dit moment wel wat zorgen baren. Je kunt je ook afvragen of er na paars misschien minder interesse zal zijn voor architectuur.

‘Dit land heeft een geweldige historie die in de zeventiende en
achttiende eeuw startte bij de bouw van de Amsterdamse grachtengordel’

Tussen kunstenaars en architecten zijn altijd interessante wisselwerkingen te vinden. Het Schröderhuis als het driedimensionale Mondriaan bijvoorbeeld of Frank Gehry en Richard Serra die al jaren bekvechten over wie er nou begonnen is met die krullen. Toen ik nog bij Frank Geyry werkte, werd hem een keer gevraagd wie nu zijn inspiratiebronnen waren. Hij noemde toen kunstenaars als Gorden Matta-Clark, Claes Oldenburg en Robert Rauschenberg. Bij sommige van de meest interessante gebouwen kun je je steeds afvragen of ze nu gebouwd zijn door een architect of een kunstenaar; bijvoorbeeld het Marfa in Texas. Marfa is een plaats waar Donald Judd een groep voormalige barakken en andere legergebouwen heeft verbouwd. Dat geheel wordt nu als een kunstcomplex beheerd door de Dia Foundation. Ik geloof dat het steeds moeilijker wordt om kunst en architectuur uit elkaar te halen. Ik hoop ook dat eindelijk eens die absurde tegenstelling tussen die twee verdwijnt. Architectuur wordt vaak verward met bouwen, maar het is eigenlijk een manier waarop je gebouwen kunt vormgeven, kunt begrijpen of erover kunt praten. Het is ook een soort politiek, een soort ideologie. Het is de kunst van het bouwen. Net zoals kunst niet het schilderen of beeldhouwen zelf is. Het zijn verschillende manieren om de wereld om ons heen in beeld te brengen en ook anders te maken. Traditioneel komt dat voort uit bepaalde ambachten; het leggen van de ene baksteen op de andere. Ik vind dat het altijd verkeerd gaat als architecten denken dat ze een beroep hebben of dat ze wetenschap bedrijven. De plaats van architectuur is altijd moeilijk geweest; niemand wist precies wat het was. Dat gaat terug naar de oprichting de Ecole des Beaux Arts en van de academies in de zeventiende eeuw onder Lodewijk XIV. Alle kunsten waren in die tijd onderdeel van het overheidsbeleid waarbij architecten afgescheiden moesten worden van enerzijds het ambacht, anderzijds van de kunstenaars en ook weer van de ingenieurs. Men heeft er vele eeuwen over gedaan om die van elkaar te scheiden. Pas in het midden van de negentiende eeuw is men daar pas echt voor uitgekomen.

‘Bij de meest interessante gebouwen weet je niet
of die nou door een kunstenaar of architect gemaakt zijn’

Op architectuurgebied telt Nederland grote namen, maar frappant is dat het niet zo goed gesteld met traditionele vormen van kunst zoals schilderkunst. Er is niemand die internationaal meedraait, met uitzondering misschien van de oude Constant. Dat heeft misschien te maken met het feit dat kunst en architectuur zozeer vervlochten zijn met het dagelijks leven, dat het moeilijk is om je daarin te profileren. En misschien dat daarom fotografie nu juist zo interessant is. Daar hebben we wel belangrijke namen in: Rineke Dijkstra, Inez van Lamsweerde, Micha Klein, Lydia Schouten en Carel van Hees. Op de academies gebeurt ook veel op het gebied van fotografie. Dat heeft misschien te maken met het spiegelen in plaats van iets uit je hoofd maken, zoals Svetlana Alpers dat stelt en zoals ik dat zelf ook altijd heb gezien. Volgens haar is Hollandse genreschilderkunst van de zeventiende eeuw in zijn vooringenomenheid met de beschrijving van het interieur en huiselijke scènes fundamenteel anders van karakter dan de Italiaanse schilderkunst die beschrijvende afbeeldingen maakten van gebeurtenissen uit de klassieke mythologie en de bijbel. Alpers kwam daarbij in opstand tegen de iconografische benadering zoals die van Panofsky. Nederlandse schilderijen en de nationale visuele sensibiliteit die erachter zit, waren veel meer beschrijvend dan verhalend, zo stelde Alpers. Dat vind ik ook.

‘Architectuur wordt vaak verward met bouwen, maar het is eigenlijk een manier waarop je gebouwen kunt vormgeven, kunt begrijpen of erover kunt praten’

Ik ben opgegroeid met de opkomst van het postmodernisme in de architectuur. De stroming die is begonnen met de ideeën van Charles Jencks die in zijn boek The Language of Post-Modern Architecture uit 1977 postmodernisme definieert als een ‘populistische, pluralistische kunst, die onmiddellijk communiceert’. Ook de linguïstische ideeën van Noam Chomsky heeft een architect als Peter Eisenman beïnvloed. Architectuur moest volgens Jencks een eigen taal spreken. Verder moest het gebouw een historisch aangrijpingspunt hebben als reactie was op de thema’s van het modernisme. Modernisme en postmodernisme zijn allebei stijlen die proberen uitdrukking te geven aan het moderne en postmoderne tijdperk, aan krachten van modernisatie. Postmodernisme in de architectuur heeft maar kort bestaan; tussen 1968 en 1990. Het heeft lang geduurd voordat het wortelde en was toen al weer snel afgelopen. Ik weet niet hoe we onze tijd nu moeten noemen. De waarden van die woorden houden een beetje op. Niemand heeft ooit kunnen uitleggen wat de postmoderne tijd nou precies was. Iedereen heeft een eigen mening over wat postmodernisme nu eigenlijk is, maar volgens mij gaat het over een specifieke periode in het midden van de zeventiger jaren waarin narratieve ideeën en ideeën over systemen elkaar kruisten. Opgegroeid in de tijd van de strijd en opkomst van het postmodernisme mocht je sommige architecten niet mooi vinden. Dat is het belang van het NAi. Hier wordt het werk van architecten bewaard zodat het alsnog gewaardeerd kan worden.

Ik vind dat we hier bij het NAi zeker niet te klagen hebben over de mogelijkheden die we hebben. We proberen er met die middelen ook zo hard mogelijk aan te werken. Maar ik denk ook dat er een structureel probleem is met Rotterdam als museumstad. Er is ontzettend veel aan gedaan en het is een stuk beter dan vroeger, maar het blijft een probleem. Rotterdam is nooit een cultuurstad geworden. Voor buitenlandse toeristen is dat vaak niet te begrijpen als ze zien wat hier allemaal te vinden is. Maar dat gaat niet zo van de ene op de andere dag. Je redt het niet alleen met het neerzetten van musea. Je moet ook een imago opbouwen en een herinnering opbouwen. Ik ging vroeger om twee redenen naar Rotterdam: Om schoenen te kopen voor mijn vader bij zijn vaste adres op de Lijnbaan en om naar Boymans te gaan. Hopelijk is een dagje Rotterdam voor iemand die nu opgroeit een dag met bezoeken aan museum Boymans, het NAi, het Chabot, het Sonneveldhuis, de Kunsthal en het Natuurhistorisch museum, het Maritiem Museum of Witte de With. Maar dat duurt een generatie. Het NAi is hier wel goed op zijn plaats; Rotterdam is een echte architectuurstad. Ondanks dat ik vind dat de meeste van de beroemde hoogbouw in Rotterdam gewoon mislukt is. De eerste echt mooie toren is die van Nationale Nederlanden, maar daar mankeert ook van alles aan. De rest kun je wat mij betreft gewoon weer afbreken. Het Groothandelsgebouw heeft ook zo’n architectonische naam. Ik vind het een interessant gebouw met leuke listige dingen, maar het zit nogal slecht in elkaar. Het is een samenraapsels van verschillende elementen dat ook nog eens een beetje vreemd tegen het station aan staat. De Lijnbaan daarentegen vind ik geweldig. De schaal, de afwisseling van woonerven met die flats. Iedereen klaagt dat het een beetje verloedert. Maar dat gebeurt altijd met winkelstraten. Wacht maar; het komt helemaal terug. Winkelstraten hebben een cyclus van zo’n twintig dertig jaar; daarna gaan we het weer mooi vinden.

CV
Aaron Betsky is op 28 augustus 1958 geboren in Missoula, Montana (Verenigde Staten). Hij is tussen 1962 tot 1975 opgegroeid in Nederland en is daarna teruggegaan naar Amerika. Hij deed Yale College, Humanities (1979), Yale School of Architecture en werd Master of Architecture (1983). Betsky heeft twee jaar gewerkt voor de architect Frank Gehry en is vervolgens les gaan geven en actief geworden als criticus. Tussen 1995 en 2001 was hij Curator Architecture, Design and Digital Projects van SFMOMA in San Francisco. In 2001 werd hij directeur Nederlands Architectuurinstituut. Hij heeft veel publicaties op zijn naam staan waaronder Violated Perfection, Architecture Must Burn, Building Sex, Queer Space, Landscrapers. Betsky woont samen in Rotterdam.

___________________________________________________________________________________

Hieronder een aantal van de interviews van het boek en enkele elders gepubliceerde interviews over persoonlijke kunstbeleving en persoonlijke drijfveren:
H.J.A. Hofland, journalist
Matthijs van Nieuwkerk, journalist en televisiemaker
Femke Halsema, politica
Anthony Burgmans, voorzitter raad van bestuur Unilever
Dick Scheringa, ondernemer en museumdirecteur
Masha Trebukova, kunstenares
Kees van Twist, museumdirecteur
Sjaar van Heugten & Andreas Bluhm (van Gogh Museum)
Henk Helmantel, kunstenaar
Aaron Betsky, architectuurdeskundige
Herman Krikhaar, ex-kunsthandelaar/kunstenaar
Ruut Veenhoven, geluksprofessor
Tineke Bahlmann, organisatie-adviseur
Maya Bergmans, directeur Promenade Hotel
Sacha Tanja, conservator
Helleen Pott, filosoof
Hans Galjaard, wetenschapper
Rob van Vuure, tijdschriftenmaker
Gerrit Jan Wolffensperger, ex-voorzitter RvB NOS
Karel Vuursteen, ex-voorzitter RvB Heineken
Jeltje van Nieuwenhoven, politica
Joost van Heijningen Nanninga, headhunter
Cees van Lede, ex-voorzitter RvB Akzo Nobel
Robert Noortman, kunsthandelaar
Jan des Bouvrie, ontwerper
Erik de Vlieger, ondernemer
Jop Ubbens, algemeen directeur Christie’s
Harry Starren, management-deskundige
Marion Bloem, kunstenares en schrijfster
Ronald de Leeuw, hoofddirecteur Rijksmuseum
Cees Dam, architect
Thom C. de Graaf, burgemeester
Anton Zijderveld, hoogleraar sociologie
Ans Markus, beeldend kunstenares
Erik Kessels, reclameman
Frans Weisz, regisseur
Jacques Schraven
, ex-voorzitter VNO-NCW
Jan Michiel Hessels, bestuurder
Otto van der Gablentz, ex-ambassadeur
Paul Schnabel, directeur CPB
Reinbert de Leeuw, dirigent, pianist en componist
Vincent Mentzel, fotograaf NRC Handelsblad
Winnie Sorgdrager, voorzitter raad voor cultuur

_____________________

Terug naar de homepage