Gerrit Jan Wolffensperger, ex-voorzitter Raad van Bestuur NOS

wie? who?met wie?wat?film blad boekinternetinsteek contact

‘Alleen lekker leven vind ik heel armoedig’

Richard EstesTijdens de televisieserie ‘Van de Schoonheid en de Troost’ van Wim Kayser vertelde Yehudi Menuhin over het genot en de troost die je van schoonheid, van iets dat je ervaart als mooi, ondervindt. Het boek bij uitstek dat daar over gaat is La Chute van Camus. Het beschrijft een aan lager wal geraakte Parijse advocaat die woont op de Zeedijk in Amsterdam. Die man heeft nog maar één troost in zijn leven en dat blijkt een in lappen gewikkeld, ontbrekende stuk van een drieluik van Jan van Eijk te zijn die hij op zijn kamer op de Zeedijk verstopt heeft. Dat is de mooiste literaire verbeelding van de schoonheid en de troost die ik ken. Het gaat om iets dat zo mooi is dat het je troost en je daarmee kan verzoenen met de hardheid om ons heen. Hetzelfde zegt Maarten ’t Hart over Bach, Bach als de grootste trooster. Dat herken ik, ik ben verslaafd aan muziek en het kopen van CD’s. Als ik het niet zo goed meer weet en me – plat gezegd – klote voel, ga ik in een stoel zitten en luister naar iets dat me op dat moment intrigeert of dat ik mooi vind. Dat is de essentiële functie van kunst. In mijn beroep wordt je getraind om in rationele processen te denken. Slagen en falen wordt daaraan afgemeten. Als dat dan even stokt of als je het even niet meer weet, dan moet je iets hebben dat er haaks op staat. En dat is schoonheid. Kunst en schoonheid hebben alles met elkaar te maken. Het gaat om het andere normenkader en zorgt dat je dingen relativeert en je tot rust komt. Die schoonheid en gedrevenheid vind je ook in religie. Als je de collectie van middeleeuwse schilderijen in het Thyssen-Bornemisza-museum in Madrid ziet, dan begrijp je niet dat we daarna nog iets gemaakt hebben. Dat is allemaal religieus geïnspireerd, net zoals bij Bach. Die religieuze gedrevenheid fascineert mij, die vind je ook in het vroege socialisme terug. Überhaupt vind ik een leven zonder idealen een armoedig leven. Alleen lekker leven vind ik heel armoedig.

Ik ben zelf fotograaf geweest en daardoor erg geboeid door een bepaalde soort fotografie; dat draag je dan ook uit. Kort geleden stond ik bijvoorbeeld op een tentoonstelling van het Nederlands Foto-instituut - waarvan ik voorzitter ben - en toen kwam de camera van TV-Rijnmond op mij af die mij vroeg: ‘wat vindt u eigenlijk van de tentoonstelling?’ En toen merkte ik dat ik zonder enige moeite tien minuten lang kon uitleggen wat er nu zo fantastisch was aan de tentoonstelling. En dat was precies wat ik in het meest fascinerende vind aan de fotografie, namelijk beelden die zich bewegen op de grens tussen realiteit en niet-realiteit. Fotografie ontleent zijn grondstof aan de realiteit en vervolgens kun je met die grondstof van alles doen om los te komen van die realiteit, bijvoorbeeld met een computer. Sommige puristen vinden dat een schande, maar ik vind dat juist het fascinerende. Dat je juist met een foto los kunt komen te staan van de realiteit en daardoor de vraag kunt stellen: wat is nou eigenlijk die realiteit? Op de tentoonstelling was een serie van drie foto’s die de titel had Zonder titel. Dat waren drie pompstations, bij nacht gefotografeerd, waarvan alle merkaanduidingen waren weggeretoucheerd met de computer. Letterlijk zonder titel dus. Je zag dus drie identieke stations waarvan alleen de kleurstellingen verschillend waren. Daar kun je dan over discussiëren of dat wel mag. Je merkt dan dat een foto manipulatiever is omdat het verwachtingspatroon van een foto anders is. Men verwacht van fotografie dat het dichter bij de werkelijkheid staat, dus is men meer geschokt als men merkt dat het juist van de werkelijkheid afwijkt. De Duitse fotograaf Andreas Gurski maakt levensgrote, zeer esthetische beelden; gelikte beelden die bij nader inzien helemaal met de computer in elkaar zijn gezet. Ik ben een estheet en hou dus van mooie vormen en beelden; die beelden van Gurski zijn heel mooi en heel knap in elkaar gezet. Je merkt dan dat ze nauwelijks enige relatie meer hebben met de werkelijkheid. Sommige van zijn beelden zijn soms wel uit acht tot tien beelden samengesteld. Bij televisie is dat precies zo. Daar fascineert mij de vraag ook wat de relatie is van televisie met de werkelijkheid. Wat is de relatie tussen de beelden die wij uitzenden uit Afghanistan en de werkelijkheid in Afghanistan? In hoeverre komt onze berichtgeving over bombardementen op Servië overeen met wat er werkelijk gebeurt in Servië? Of in hoeverre is de berichtgeving uit Amerika gekleurd door het taboe op politiek niet-correcte standpunten? Dat vind ik fascinerende dingen. Dat is vanaf de Golfoorlog een punt van discussie geworden. De media waren zozeer geglobaliseerd en gemondialiseerd dat er ook zoiets als een mondiale communis opinio ontstond. Er werd een discussie mogelijk over het manipuleren van de berichtgeving door Amerika, berichtgeving die voor die tijd nog gecompartimentiseerd was. Ik ben voorzitter van World Press Photo en daar heb ik gemerkt dat diezelfde discussie een mondiaal niveau bereikt. Wat mag een fotoverslaggever nu eigenlijk doen in Afghanistan en wat eigenlijk niet? De oorlog wordt mondiaal, de pers wordt mondiaal en kan daardoor een discussie aanslingeren waartoe ze voor die tijd minder bij machten waren. Opvallend is ook dat in de fotografie schoonheid verdacht wordt. Dat is een omgekeerde beweging. De Braziliaanse fotograaf Sebastião Salgado bijvoorbeeld kan het vreselijke zó prachtig fotograferen! Hetzelfde geldt voor Nichtwey die een zwarte vrouw fotografeert die haar zojuist overleden kindje in een witte doek ten graven draagt. Dat is bijna als een soort hedendaagse Piëta. Dat alleen roept discussie op: mag die realiteit wel zo mooi zijn!

De fotografie die mij fascineert maakt dat ik op een andere manier naar de werkelijkheid ga kijken. Vroeger keken mensen graag naar schilderijen met een berkenboompje aan een wild water met een ree. Dat bestaat niet meer, maar wat is nou het hedendaagse equivalent? Dat doet Urban Landscape en dan kom je bijvoorbeeld uit in een Vinex-wijk. Die kun je ook fotograferen zodat je op een heel andere manier tegen het fenomeen Vinex-wijk gaat aankijken. Fotografen als Luuk Kramer en Bart Sorgedrager doen dat bijvoorbeeld. Bij een schilder als Edward Hopper zie je ook dat spelen met realiteit/niet-realiteit. Hij maakte schilderijen die qua compositie eigenlijk foto’s zijn. Om die reden zouden die schilderijen een eeuw daarvoor nooit gemaakt kunnen zijn. Ik ben ook een bewonderaar van Richard Estes, één van de meest uitgesproken vertegenwoordigers van het fotorealisme. Ook bij hem zie je beelden die net niet helemaal overeenkomen met de werkelijkheid. Hij schildert dus foto’s met als essentie dat die net niet overeenkomen met de werkelijkheid. Bij deze schilders zie je dat er dan geen verschil meer is tussen fotografie en schilderkunst.
De groep mensen die zich tot D66 aangetrokken voelt, is vaak een soort mensen voor wie de inhoud en de vorm beide belangrijk zijn. Dat zijn mensen die wel idealistisch zijn, maar waarbij het ideaal niet tot een soort fanatisme wordt verheven dat boven alles uit toornt. Maar het zijn ook mensen die het immateriële meer toegenegen zijn dan - vergeef me de generalisatie - de standaard VVD-er. Vanaf het begin is de essentie van D66 het niet willen hebben van vooroordelen, het enerzijds/anderzijds. Misschien de reden dat de partij juristen zo aansprak. Ik denk dat die onbevangenheid, dat onbevooroordeelde en dat gebrek aan fanatisme resulteren in een zekere openheid voor esthetiek.

Ik merk voor mezelf dat ik de voorstrekt non-figuratieve kunst zo langzamerhand minder interessant ben gaan vinden dan het spelen met figuratie. Mondriaan interesseert mij bijvoorbeeld minder dan Picasso. Ik herinner me dat toen Picasso dood ging de Franse staat zijn atelier leeghaalde en tentoonstelde in Parijs. Je zag daar zijn ontwikkeling van de academiejaren tot zijn dood. Toen zag ik dat Picasso een fabelachtig schilder was geweest. Voordat hij zijn abstractere werk ging maken kon hij kennelijk ook figuratief fantastische dingen maken. Bij mij werkt het dus zo dat ik meer geloof hebt in iemand die abstract schildert als je ziet als dat iemand het ook figuratief kan. Ik heb ook meer geloof in iemand die a-tonale muziek maakt als ie ook een fantastisch Bach-stukje kan schrijven. Ik heb in de loop van tijd voor mezelf een beeld gekregen van wat ik mooi en niet mooi vind. Ik kan dat ook uitleggen. Het maximale dat je als leek kunt verlangen is dat je geleidelijk aan iets kunt ontwikkelen als eigen smaak. En dat moet je leren. Ik kom hoe langer hoe meer tot het oude mannenstandpunt dat de openheid voor kunst iets is dat je niet helemaal vanzelf meekrijgt. Ergens tussen de lagere en de middelbare school moet je een zaadje planten dat soms pas vele jaren later tot bloei komen. Ik heb op mijn elfde en twaalfde de Mattheüs Passie gezongen in het Concertgebouw op een Eduard van Beinum. Pas dertig jaar later merkte ik hoe ongelooflijk groot de invloed daarvan is. Ik ben totaal ongodsdienstig, maar dit was godsdienst, wij voerden daar een hoogmis op! Het klinkt pathetisch, maar bij bepaalde stukken kreeg ik tranen in de ogen. Dat kan ik helemaal terugkoppelen naar mijn werk. Vroeger was er geen commerciële omroep. Dus vroeger kon de publieke omroep de illusie hebben dat ze toch wel het hele publiek bereikte en als er weleens een jongere minder televisie keek dan kon men het idee hebben dat ie later wel weer terug kwam. Nu zit je met het probleem dat de jongeren onder de 35 massaal naar de commerciële omroep kijken. En dan is de vraag: zijn die dan voorgoed verloren of geldt dan – zoals ook voor ons - dat je op je veertigste van rode wijn en van Bach gaat houden? We hebben daar onderzoek naar gedaan, maar we kunnen daar geen wetenschappelijk duidelijkheid over krijgen. Kinderen leren nu om te gaan met interactiviteit, kunnen uit dertig kanalen kiezen en binnenkort ook zelf bepalen op welk moment ze dat willen zien. Dat neem je ze niet meer af. Ze krijgen dus een ander consumptiepatroon. Kunst blijft, maar de dragers zullen veranderen. Bij videokunst denk je eerst: wat is dat voor onzin op zo’n kastje in zijn instabiele media? Maar op gegeven moment raak je gefascineerd als je hoort waarom de kunstenaar dat doet. Ik geloof dat je door een cognitieve fase moet om uit te komen bij waar het cognitieve niet meer speelt. Dat is dan gelijk een pleidooi voor onderwijs en voor publiek omroepen om het cognitieve instrument niet te verwaarlozen. Je gaat toch ook niet op een lagere school vragen: ‘wie wil er vandaag rekenen leren?’ Ik heb altijd verdedigd dat je op school een veel meer omvattend cultuuronderwijs zou moeten geven. Wij laten kinderen eindeloos ploeteren met de Ilias en de Odyssee, met Vergilius en Ovidius in een taal die ze niet begrijpen. Wat een ongelofelijk verspilling van tijd en moeite is dat, want er zijn daar beeldschone vertalingen van. Doordat we daar zoveel tijd in stoppen, hebben we geen tijd meer voor Dante, Cervantes en Shakespeare. En de bijbel slaan we al helemaal over. Het is toch krankzinnig dat wij op middelbare scholen de bijbel niet onderwijzen, terwijl je in het Rijksmuseum geen drie meter kunt lopen zonder iets van de bijbel te moeten weten. Ik vind dat elk kind dat de middelbare school verlaat de bijbel zou moeten kennen, maar dan zonder die rare connotatie van het geloof en die man op die wolk in die hemel.

___________________________________________________________________________________

Hieronder een aantal van de interviews van het boek en enkele elders gepubliceerde interviews over persoonlijke kunstbeleving en persoonlijke drijfveren:
H.J.A. Hofland, journalist
Matthijs van Nieuwkerk, journalist en televisiemaker
Femke Halsema, politica
Anthony Burgmans, voorzitter raad van bestuur Unilever
Dick Scheringa, ondernemer en museumdirecteur
Masha Trebukova, kunstenares
Kees van Twist, museumdirecteur
Sjaar van Heugten & Andreas Bluhm (van Gogh Museum)
Henk Helmantel, kunstenaar
Aaron Betsky, architectuurdeskundige
Herman Krikhaar, ex-kunsthandelaar/kunstenaar
Ruut Veenhoven, geluksprofessor
Tineke Bahlmann, organisatie-adviseur
Maya Bergmans, directeur Promenade Hotel
Heleen Pott, filosoof
Hans Galjaard, wetenschapper
Rob van Vuure, tijdschriftenmaker
Gerrit Jan Wolffensperger, ex-voorzitter RvB NOS
Karel Vuursteen, ex-voorzitter RvB Heineken
Jeltje van Nieuwenhoven, politica
Joost van Heijningen Nanninga, headhunter
Cees van Lede, ex-voorzitter RvB Akzo Nobel
Robert Noortman, kunsthandelaar
Jan des Bouvrie, ontwerper
Lodewijk Sillevis-Smitt, advocaat
Jop Ubbens, algemeen directeur Christie’s
Harry Starren, management-deskundige
Marion Bloem, kunstenares en schrijfster
Ronald de Leeuw, hoofddirecteur Rijksmuseum
Cees Dam, architect
Thom C. de Graaf, burgemeester
Anton Zijderveld, hoogleraar sociologie
Ans Markus, beeldend kunstenares
Erik Kessels, reclameman
Frans Weisz, regisseur
Jacques Schraven
, ex-voorzitter VNO-NCW
Jan Michiel Hessels, bestuurder
Otto van der Gablentz, ex-ambassadeur
Paul Schnabel, directeur CPB
Reinbert de Leeuw, dirigent, pianist en componist
Vincent Mentzel, fotograaf NRC Handelsblad
Winnie Sorgdrager, voorzitter raad voor cultuur

_____________________

Terug naar de homepage