Jan Michiel Hessels, bestuurder
‘Een museum moet een spektakel zijn’
‘In tegenstelling tot bijvoorbeeld in Angelsaksische landen houdt het Nederlandse bedrijfsleven zich relatief weinig bezig met kunst. Nu in mindere mate, maar wij zijn er altijd van uit gegaan dat kunst primair een overheidstaak is. Dat hangt mede samen met het feit dat Nederland het land is van de armste rijken en de rijkste armen.’ Interview: Koos de Wilt (2003).
In de detailhandel kom je dagelijks met consumenten in aanraking; alleen al bij de warenhuizen komen per week zo’n vijf miljoen klanten. Dat betekent dat je de signalen in de samenleving, inclusief de esthetische en de smaakontwikkeling, toch een beetje moet aanvoelen. Oorspronkelijk kom ik uit de wat abstracte wereld van de financiën en consultancy. Vervolgens ben ik vanuit de chemie in de handel en uiteindelijk in de detailhandel terechtgekomen. Steeds meer richting consumenten. De aardige dingen van de detailhandel zijn dan ook markt en trendontwikkeling. De gemiddelde burger krijgt een stortvloed van goede en slechte informatie over zich heen en het is dan de kunst om onderscheidend te zijn. Afhankelijk van het segment, moet je steeds origineel en creatief zijn en daar ligt een link met creativiteit met een kleine c.
‘Bij hedendaagse kunst kijk ik graag naar de reacties van het jonge publiek’
Ik ben niet echt een verzamelaar, maar we hebben veel muuroppervlakte in ons huis en daar hangen dingen die we in de afgelopen dertig jaar zelf hebben gekocht. Mijn belangstelling is eclectisch. Ik koop het liefst negentiende-eeuwse kunst die ook nog betaalbaar is. Het enige criterium is eigenlijk dat als je er voor de vijfhonderdste keer langskomt, je er dan toch weer met genoegen naar kijkt. Mijn smaak is gevormd in Indië waar mijn ouders Balinese schilderijen hadden; batikachtige, wat primitieve afbeeldingen. Het Gemeentemuseum in Arnhem heeft een pracht collectie van magisch realisten als Dick Ket, Raoul Hynckes, Pyke Koch en later Carel Willink waar ik toen gefascineerd door was. Ik liep er als scholier regelmatig binnen. Dat ben ik eigenlijk altijd blijven doen.
Stedelijk Museum
Toen ik kantoor hield bij McKinsey op de Paulus Potterstraat kon je tijdens de lunch gemakkelijk binnenlopen bij het Stedelijk Museum. Daar hingen aan de korte kant van de grote zaal naast elkaar witte Lucio Fontana, een hardblauwe Hans Arp en een goud, uitgehold concaaf vlak. Die combinatie was de moeite waard eens in twee weken even vijf minuten langs te lopen. Dat deed ik dan alleen, zonder collega’s. Ook aan de lunchtafel met ondernemers en andere mensen in het bedrijfsleven is kunst niet vaak een voor de hand liggend onderwerp van gesprek. Waar je kunstliefhebbers tegenkomt is tijdens concerten en openingen van tentoonstellingen.
In tegenstelling tot bijvoorbeeld in Angelsaksische landen houdt het Nederlandse bedrijfsleven zich relatief weinig bezig met kunst. Nu in mindere mate, maar wij zijn er altijd van uit gegaan dat kunst primair een overheidstaak is. Dat hangt mede samen met het feit dat Nederland het land is van de armste rijken en de rijkste armen. Ik vind het wel goed dat musea zich wat marktgerichter zijn gaan opstellen. Nederland heeft een ongelooflijke variëteit aan musea en de directies daarvan realiseren zich zeer wel dat je als museum mede van bezoekers afhankelijk bent en dat je acteert in een veld met veel concurrentie. Er moet dus een beetje spektakel zijn, een beetje show. Dat afschuwelijke Amerikaanse woord show zie je nu ook de museale wereld binnenkomen. Ik ben daar niet op voorhand tegen. Ik denk dat je daar een verstandige middenweg in moet vinden. Het gaat niet alleen om verzamelen en conserveren, maar ook om voor de bezoekers vreugde en inspiratie te scheppen met wat je hebt.
Eerste aankoop
Het eerste schilderij dat mijn vrouw en ik hebben gekocht was een werk van Jan Schoonhoven waar ik in die tijd zelf een aluminium lijst omheen heb gemaakt. Ik zou dat op dit moment niet meer kopen, maar vond dat toen het toppunt van schoonheid en esthetiek. Dat doe je als je 25 bent, daarna zijn we al snel in de figuratieve sfeer terechtgekomen. We hebben het geluk gehad dat we in die tijd, eind jaren zestig, op de veiling een groot negentiende-eeuws schilderij van een zittend meisje hebben kunnen kopen. Op al de plaatsen waar ik gewerkt heb, is het met ons meegereisd, van Zuid- en Noord-Amerika tot hier aan toe. Het is een deel van ons leven geworden en paste indertijd maar net op het dak van de Deux Cheveux die we toen hadden. Ik kijk er iedere dag nog met genoegen naar. De afbeelding is een beetje op de grens van zoetig, op de rand van kitsch. Ronald de Leeuw herkende het onlangs als een werk van de redelijk bekende Spaanse schilder Antiqua.
Politiek incorrect
Ik houd ook van Sir Lawrence Alma-Tadema, wat politiek lange tijd zeer incorrect was. Maar ik heb hem altijd een fantastische schilder gevonden. Zowel technisch, als qua thema’s en sfeer. Zijn werk is pure esthetiek, een beetje elitair en decadent, en stammend uit een periode dat je mocht genieten van schoonheid. In zijn tijd was hij een van de meest geprezen schilders en bedong in Londen geweldige prijzen. In de jaren zeventig kon je die schilderijen aan de straatstenen niet kwijt. Toen ze in die tijd voor tienduizend gulden werden aangeboden, heb ik dat tot mijn spijt niet gedaan omdat ik het geld niet had.
Bij hedendaagse kunst kijk ik graag naar de reacties van het jonge publiek. Bij welke dingen de mensen echt stilstaan. Dat vind ik dan interessant. Ook om te kijken of de keizer geen kleren aan heeft. Veel kunst wordt gemaakt om te choqueren en daar is niks mis mee. Dat verlegt de grenzen soms en kan goed zijn. Bovendien is het een onderdeel van de ontwikkeling.
Leukste meisjes
Toen ik in Leiden rechten studeerde, wat natuurlijk niet zo heel erg interessant was, ben ik regelmatig colleges kunstgeschiedenis gaan volgen. Daar kon je zo naar binnen lopen en dat was reuze boeiend, al was het maar omdat daar de leukste meisjes zaten. Ik lees veel kunstboeken en blader erin, maar dat gaat dikwijls het ‘ene oog in en het andere uit’. Waar ik wel wat van weet is iconografie over symbolen en betekenissen in de zeventiende- en achttiende-eeuwse kunst. Ik ging vroeger met mijn ouders altijd braaf naar de kerk las dan stiekem een boek over iconografie. Dat boek zag er precies zo uit als een kerkboek, zodat ik daar elke zondag gedurende vijf kwartier rustig in kon lezen. Mijn vrouw is filosofischer ingesteld en die kan veel verhalen over de achtergronden van de kunst vertellen. Daar geniet ik van, want dat lukt mij niet.
Wat ik echt bestudeer is tuinarchitectuur. Dan maak ik aantekeningen en zet ik streepjes in die boeken. Ik ben met mijn zoon Pieter ook bezig een doolhof aan te leggen in onze eigen tuin. Ik houd erg van die architectonische, symmetrische, formele Franse tuinen; van die rijk versierde tuinen met allee’s en parterres vol buxushaagjes in allerlei vormen. Tuinaanleg heeft te maken met organiseren. Daarvoor heb je een visie nodig, moet je de grote lijnen goed uitzetten en regelmatig onderhoud plegen. Je moet niet bang zijn om regelmatig te kappen, schoon te maken en ruimte maken voor groei. Het is een organisch stelsel dat je gezond moet houden en daarin lijkt het veel op een organisatie van een onderneming. Mijn vrouw is goed in het snoeien en weet ook precies welke schimmels in de planten kunnen zitten. Dat weet ik allemaal niet, maar ik vind het leuk om zo’n labyrint vorm te geven. Ik doe meer het concept en zij zorgt dat het niet mis gaat.
CV
Jan Michiel Hessels is in 1942 geboren in Den Haag en bracht zijn jeugd door op Sumatra. Hij studeerde rechten in Leiden en financiën aan Wharton (VS). In 1967 werd hij trainee bij het Londense bankiershuis Wartburg en bij de Overseas Bank te Genève. Vervolgens werd hij in 1973 manager bij Akzo in Brazilië en in de Verenigde Staten. Na vijf jaar directeur te zijn geweest van Deli werd hij in 1990 voorzitter van de Raad van Bestuur Vendex en in 2002 puinruimer bij Laurus. In 2001 schreef hij het verkiezingsprogramma voor het CDA. Hessels is gehuwd en heeft drie kinderen.
___________________________________________________________________________________
Hieronder een aantal van de interviews uit het boek ‘Passie voor kunst’ en elders gepubliceerde interviews:
H.J.A. Hofland, journalist
Matthijs van Nieuwkerk, journalist en televisiemaker
Femke Halsema, politica
Anthony Burgmans, voorzitter raad van bestuur Unilever
Dick Scheringa, ondernemer en museumdirecteur
Masha Trebukova, kunstenares
Kees van Twist, museumdirecteur
Sjaar van Heugten & Andreas Bluhm (van Gogh Museum)
Henk Helmantel, kunstenaar
Aaron Betsky, architectuurdeskundige
Herman Krikhaar, ex-kunsthandelaar/kunstenaar
Ruut Veenhoven, geluksprofessor
Maya Bergmans, directeur Promenade Hotel
Rob van Vuure, tijdschriftenmaker
Gerrit Jan Wolffensperger, ex-voorzitter RvB NOS
Karel Vuursteen, ex-voorzitter RvB Heineken
Jeltje van Nieuwenhoven, politica
Joost van Heijningen Nanninga, headhunter
Cees van Lede, ex-voorzitter RvB Akzo Nobel
Robert Noortman, kunsthandelaar
Jan des Bouvrie, ontwerper
Lodewijk Sillevis-Smitt, advocaat
Jop Ubbens, algemeen directeur Christie’s
Harry Starren, management-deskundige
Marion Bloem, kunstenares en schrijfster
Ronald de Leeuw, hoofddirecteur Rijksmuseum
Cees Dam, architect
Thom C. de Graaf, burgemeester
Anton Zijderveld, hoogleraar sociologie
Ans Markus, beeldend kunstenares
Erik Kessels, reclameman
Frans Weisz, regisseur
Jacques Schraven, ex-voorzitter VNO-NCW
Jan Michiel Hessels, bestuurder
Otto van der Gablentz, ex-ambassadeur
Paul Schnabel, directeur CPB
Reinbert de Leeuw, dirigent, pianist en componist
Vincent Mentzel, fotograaf NRC Handelsblad
Winnie Sorgdrager, voorzitter raad voor cultuur
_____________________
Terug naar de homepage
