Jeltje van Nieuwenhoven, politica
‘HET NUT VAN KUNST IS DAT JE ER IETS AAN ONTLEENT WAARDOOR JE DE VOLGENDE DAG WEER VERDER KUNT’
![]()
![]()
_________________________________________________
Interview Koos de Wilt voor het boek Passie voor kunst
‘Op de middelbare school had ik iets dat heel weinig voorkomt: Ik had een tien voor wiskunde en een tien voor geschiedenis. Ik ben dus heel analytisch en associatief. Daar bovenop komt ook nog dat ik een goed visueel geheugen heb waardoor ik heel goed filmpjes kan afdraaien en voor me zien waar iets staat in een boek. “Echt een Mulo-meisje”, zegt een goede vriendin van mij altijd. Dat heb ik ook als ik naar popmuziek luister. Ik hoor zowel de muziek als de teksten. Vroeger kende ik ook ontzettend veel popteksten uit mijn hoofd. Maar ik kan ook zo Bredero, Cats en Vondel uit mijn hoofd citeren. Op school had ik een leraar die ons na schooltijd dingen bijbracht als kunst, muziekles en bijvoorbeeld kleurenleer. Dat helpt in het leven, omdat je daar persoonlijke dingen aan kunt ontlenen om de volgende dag ook weer dingen te doen. Misschien is dat wel leven, maar misschien is dat te filosofisch uitgedrukt.’
Een wiel, dat draait. Ik niet, ik stuntel op twee benen en noem dat Lopen, Gaan. Sta ik toevallig stil, dan heet dat het standpunt dat ik inneem.
In Leeuwarden kreeg ik algemene kunstgeschiedenis van de kunsthistoricus Hessel Miedema. Hij heeft mij op de bibliothekenopleiding heel erg bewust gemaakt van kunst en cultuur. Ik heb ook nog een blauwe maandag in de avonduren kunstgeschiedenis gestudeerd. Dat deed ik in Utrecht, naast mijn werk als bibliothecaris bij het Kunsthistorisch Instituut. Ik ben daarmee gestopt, omdat ik toen vond dat het niks met mensen te maken had. Bovendien werd ik er heel moe van. Het kon me niet pakken naast de hele dag werken. Ik ben toch een sociaal-democraat in hart en nieren die vindt dat het ook nog iets met mensen te maken moet hebben. Dan kwam er weer een boek uit dat een andere kijk op de Renaissance gaf of op een schilderij van Rembrandt en dan vond iedereen er opeens weer iets compleet anders van. Dan dacht ik altijd: wat raar, gisteren vonden we nog dit? Ik moet dan altijd denken aan een gedicht van Jan Emmens dat ik altijd citeer aan jonge kamerleden: Een wiel, dat draait. Ik niet, ik stuntel op twee benen en noem dat Lopen, Gaan. Sta ik toevallig stil, dan heet dat het standpunt dat ik inneem. Inmiddels heb ik de zelfstandigheid ontwikkeld dat het me niks meer kan schelen wat iemand anders vindt van wat ik mooi vind. Dat is natuurlijk het ultieme genot. Als ik iets zie, gaat het altijd veel verder dan wat je ziet en wat je voelt. Er komt bij mij altijd wat bij. Daarom zien mensen vaak heel andere dingen in kunst dan ik.
Van mijn vader heb ik geleerd dat als je geen geld had om te reizen je dan altijd nog via boeken de rest van de wereld kon leren kennen.
Mijn vader zong in het koor, speelde toneel en las daarnaast veel. Hij vond dat lezen een venster op de wereld was. Van mijn vader heb ik geleerd dat als je geen geld had om te reizen je dan altijd nog via boeken de rest van de wereld kon leren kennen. Als bibliothecaris heb ik vanaf mijn zeventiende alles gelezen, ook de winkeldochters, boeken die nooit uit de kast kwamen en een leeg stempelblaadje hadden. Dat vond ik zo zielig. Ik ben vanaf mijn zeventiende bibliothecaris. Men zegt altijd dat je dan niet op de wereld, maar eenzijdig georiënteerd bent. Maar dat is natuurlijk onzin. Door de bibliotheekopleiding kun je alles wat je niet weet, snel opzoeken. Dat is hartstikke handig voor in de politiek. Ik ben meer literair ingesteld dan visueel. Ik ben ook voorzitter van de Libris-literatuurprijs en mijn medewerkers, mijn secretaresse en mijn politieke assistent, lezen allemaal mee en praten er dan over. Dat vind ik heerlijk. Ik ben het type dat in de zomer gebeld wordt door vrienden voor wat ze mee moeten nemen op vakantie. Ik kan rustig een hele zondag het antwoordapparaat erop zetten en de hele dag lezen. Vooral als het regent en je niet hoeft te fietsen. Want dat is allemaal maar gedoe. Het Verdriet van België vind ik het mooiste wat ik ooit heb gelegen in de Nederlandse literatuur. Dat is dan de herkenning. Een klein meisje uit een klein dorp in Friesland herkent zich dan in een klein jongetje dat zijn opvoeding krijgt in een klein klooster in Vlaanderen.
‘Het nut van kunst is dat je er iets aan ontleent waardoor je de volgende dag ook weer verder kunt’
Het nut van kunst is dat je er iets aan ontleent waardoor je de volgende dag ook weer verder kunt. Het is een moment van stilstand. Ik heb thuis een oude Jeroen Hennman aan de muur: een raam waar het licht aan twee kanten naar binnen valt. Dat vind ik zo mooi. Als ik naar de Amsterdamse binnenstad moet, rijd ik ook het liefst langs de kant van de A10 waar je de cirkel met de punt erin van Jeroen Henneman ziet op het gebouw van de Belastingdienst. Je kunt het vanuit de trein en vanuit de auto zien. Dat maakt je hele dag goed. Dat is zo mooi! Ik heb een belachelijk brede kunstbelangstelling. Van Vlaamse primitieven, de tekeningen van Goltzius, de etsen van Rembrandt tot aan de tekeningen van Aat Veldhoen toe. Ik ben ook dol op Peter Struyken, Swip Stolk en David Hockney. Ik heb natuurlijk geen geld om een echte Hockney te kopen dus heb ik een poster van hem aan de muur. Daar beleef ik dan dagelijks plezier aan.
Ik heb ook een poster van één van de mooiste schilderijen die ik ken: Christina’s world van Andrew Wyeth. Bij dat werk is het de verstilling, het eenzame en ook het uitkijken naar, het hoop-doet-leven-gevoel dat ik altijd wel heb, ook in de diepste penarie. Bij deze kunstenaars is mooi niet goed genoeg. Het moet iets meer zijn. Dat herken ik wel. Ik kan slecht tegen slordigheid. Ik ben ook heel aards in mijn kunstbeleving: Feiten zijn feiten en het is zonde van de tijd om feiten te gaan bestrijden, zeg ik altijd. Kunstbeleving heeft ook te maken met herkenning. Zo hou ik bijvoorbeeld ook heel erg van Rob de Nijs, omdat hij zingt op een manier zoals hij ook al veertig jaar geleden zong. Dat is waarschijnlijk vreselijk voor hem als ik dat zeg, maar het is wel zo. Het is wat ik herken van toen ik zestien of zeventien was, want hij is een paar jaar ouder dan ik. Dat draag je met je mee en op een of andere reden vind ik het nog steeds leuk. Het is de emotie en de bevestiging. Ik ben met de Tuny Tunes en popmuziek groot geworden en ben pas toen ik zo’n jaar of dertig was klassieke muziek gaan waarderen en dan vooral pianomuziek van Mozart en Beethoven. En het gekke was: veel stukken herken ik nog van vroeger toen mijn buurmeisje dat speelde.
‘Mijn smaak zit tussen Rob de Nijs en Mozart in’
Mijn smaak zit tussen Rob de Nijs en Mozart in. Ik zie niet zoveel verschil in wat iemand kan beleven bij die muziek. Ik denk dat Nederlands is, we zijn voor wat betreft cultuur heel plooibaar: als het dan zo moet, dan moet het maar zo. Door de eeuwen heen hebben we ons makkelijk laten beïnvloeden door allerlei buitenlandse invloeden. Er zijn Utrechtse schilders die jarenlang in Rome gewerkt hebben van wie er meer schilderijen in Rome hangen dan hier. Hetzelfde zie je bij zo iemand als Willem de Kooning die het in Amerika redt. Of Mondriaan die in zijn beleving een New Yorker is, maar daarvoor wel die prachtige bomen aan het Gein heeft geschilderd. Het zijn de kleuren geel en blauw van de Provence die Van Gogh wist te vangen na de donkere tekeningen die hij van de hoeren in Den Haag had gemaakt. Dat plooibare zit dus kennelijk in onze cultuur.
‘Ik vind dat de overheid dingen mogelijk moet maken en ik ben er helemaal niet vies van om daarin te sturen’
Ik vind dat de overheid dingen mogelijk moet maken en ik ben er helemaal niet vies van om daarin te sturen. In tegenstelling tot liberalen. Het oude mecenaat van de zeventiende eeuw is in Nederland overgenomen door de overheid, omdat mensen in ons land nooit meer zo rijk zijn dat ze dat in hun eentje kunnen. Dat is een verandering in de maatschappij waar adequaat op gereageerd moet worden. Dat de gemeenteraad van Den Haag met één stem verschil kiest voor het ontwerp van Richard Meier is een kwestie van democratie, hoe smal ook. Vroeger bepaalde een rijke burgemeester/regent dat in zijn eentje. Ik vind dat de tijd eigen en de overheid eigen, zoals Thorbecke ook in zijn tijd gezien moet worden. Het Thorbeckeiaanse principe nu is onzin, omdat Thorbecke het gezegd heeft op het moment dat ie hij het gezegd heeft. Overigens heeft Thorbecke letterlijk gezegd dat de overheid geen middelaar van kunst is en het niet beoordeelt. Dus niet dat ze zich er niet mee zou mogen bemoeien. Als in een dorp een voorstel is om een beeld te maken en ze geeft dat de bevolking mee en als de bevolking in overgrote meerderheid dan aangeeft dat ze het niet mooi vindt, dan vind ik dat de overheid het niet moet plaatsen. Bij gebouwen is het dan weer iets anders dan met beelden. Toen in Kinderdijk indertijd molens werden geplaatst, vonden mensen dat grote obstakels die nog lawaai maakten ook. Dat is hetzelfde als de mensen die nu zeggen dat windmolens de horizon vervuilen. Het gevoel hoort in zijn tijd. De overheid moet actief zijn in cultuurzaken. Je kunt mensen dingen leren over kunst en door kunst. Ik vind dat je daar als overheid best wel wat aan mag doen.
Alle cultuur begint met communicatie. Als ik beeld maak, dan laat ik iets van mezelf zien. Je kunt het l’art pour l’art principe aanhangen, maar dan nog heb je het gemaakt. Als je vindt dat het gemaakt moest worden dan is dat een vorm van communicatie. Alle communicatie begint met taal. En dan ben je meteen bij integratie. Ik vind dat je de bevestiging van je eigen taal nodig hebt om ook andere talen te kunnen kennen. Ik vind ook dat iedereen in Nederland Nederlands moet leren spreken. Dat heeft iedereen veronachtzaamd toen hier intertijd gastarbeiders kwamen werken. We gaven toen niet eens een taalcursus, ook al dachten we dat die mensen maar een paar jaar zouden blijven. Ik vind dus dat cultuur met integratie te maken heeft. Kijk naar Kunstbende in Rotterdam of Dogtroep, dat zijn niet alleen Nederlandse kinderen. Het is geen wonder dat die zoveel furore gemaakt hebben in het buitenland. Dat komt omdat het niet een typische bevestiging is van het stukje Nederland, maar “kunst in zijn hoogste vorm” omdat het iets meer laat zien van wat Nederlands is.
Hieronder een aantal van de interviews van het boek en enkele elders gepubliceerde interviews over persoonlijke kunstbeleving en persoonlijke drijfveren:
H.J.A. Hofland, journalist
Matthijs van Nieuwkerk, journalist en televisiemaker
Femke Halsema, politica
Anthony Burgmans, voorzitter raad van bestuur Unilever
Dick Scheringa, ondernemer en museumdirecteur
Masha Trebukova, kunstenares
Kees van Twist, museumdirecteur
Sjaar van Heugten & Andreas Bluhm (van Gogh Museum)
Henk Helmantel, kunstenaar
Aaron Betsky, architectuurdeskundige
Herman Krikhaar, ex-kunsthandelaar/kunstenaar
Ruut Veenhoven, geluksprofessor
Tineke Bahlmann, organisatie-adviseur
Maya Bergmans, directeur Promenade Hotel
Heleen Pott, filosoof
Hans Galjaard, wetenschapper
Rob van Vuure, tijdschriftenmaker
Gerrit Jan Wolffensperger, ex-voorzitter RvB NOS
Karel Vuursteen, ex-voorzitter RvB Heineken
Jeltje van Nieuwenhoven, politica
Joost van Heijningen Nanninga, headhunter
Cees van Lede, ex-voorzitter RvB Akzo Nobel
Robert Noortman, kunsthandelaar
Jan des Bouvrie, ontwerper
Lodewijk Sillevis-Smitt, advocaat
Jop Ubbens, algemeen directeur Christie’s
Harry Starren, management-deskundige
Marion Bloem, kunstenares en schrijfster
Ronald de Leeuw, hoofddirecteur Rijksmuseum
Cees Dam, architect
Thom C. de Graaf, burgemeester
Anton Zijderveld, hoogleraar sociologie
Ans Markus, beeldend kunstenares
Erik Kessels, reclameman
Frans Weisz, regisseur
Jacques Schraven, ex-voorzitter VNO-NCW
Jan Michiel Hessels, bestuurder
Otto van der Gablentz, ex-ambassadeur
Paul Schnabel, directeur CPB
Reinbert de Leeuw, dirigent, pianist en componist
Vincent Mentzel, fotograaf NRC Handelsblad
Winnie Sorgdrager, voorzitter raad voor cultuur
_____________________
Terug naar de homepage
