Jop Ubbens, directeur veilinghuis Christie’s
‘Bij kunst gaat het om het hedonistisch rendement’
‘Vaak zijn klanten ondernemers met eigen bedrijven, vaak heel moedige mensen. Ik ben dan niet zozeer geïnteresseerd in hun producten, vaak uitlaten of plastic, maar wel in hun strategie en tactiek hoe ze het allemaal van de grond hebben gekregen. Dan denk ik: ‘Hé, die man heeft een verhaal.’
Interview: Koos de Wilt (2003)
Voor mij zijn er drie kunstwerelden: mijn persoonlijke, de commerciële en de kunsthistorische, of combinaties daarvan. Ik kan een schilderij niet mooi vinden, maar wel ongelooflijk interessant, bijvoorbeeld binnen het oeuvre van de kunstenaar, of qua onderwerp, schaarste of trouvaille. Ik heb hier bij Christie’s jarenlang als expert de Hollandse negentiende-eeuwse schilderkunst geleid. Dan heb je dus graag de ene Schelfhout, Koekkoek en Springer na de andere. Voor de veiling dan, want zelf zou ik dat nooit kopen, nooit en te nimmer. Dat is me te weinig spannend, te weinig diepgang, knap geschilderde plaatjes. In de regel komt nieuw geld binnen via de Romantiek. Vaak houden verzamelaars hun eerste aankoop vast vanwege de affiniteit en het idee dat ze dat werk hebben gekocht met hun eerste geld; daarna gaan ze óf een intellectuele richting uit en kopen moderne kunst óf een kunsthistorische richting en kopen oude meesters.
‘Kunst is echt everybody’s hobby, iedereen heeft er iets over te zeggen’
Ik kijk zelf het liefste naar Europese kunst die gemaakt is tussen 1880 tot 1920. Daar zitten dan Isaäc Israëls, Breitner, de Italiaan Giuseppe de Nittis en schilders als Renoir bij, plus een paar Amerikanen, zoals Whistler. In die tijd zie ik de meeste modernismen, de meeste vernieuwingen, de meeste revoltes. Als ik een onbeperkt budget zou hebben zou ik op kantoor wel een prachtig schilderij van Franz Kline of Mark Rothko willen ophangen. Maar thuis zou ik dan een schilderij van De Nittis of Whistler ophangen.
Naast kunst uit die periode interesseert mij de tijd zelf ook, de tijd van de dandy’s, van die kerels die converseerden en iedereen en alles op de hak namen, juist ook de society. Het waren mannen als Oscar Wilde en James Whistler, die laat opstonden en dan uren lang kletsten over hoe ze zich die dag zouden kleden. Dat is misschien een beetje feminien, maar ik zou daar wel een touch van willen hebben. Als je mij zou zeggen: ‘hier heb je een miljoen’, dan zou ik ook eerst twintig pakken, zestig overhemden en vijftien paar schoenen kopen. Dat vind ik mooi!
Vijftiendejaars
Ik kom uit een nest dat de Engelsen professional middleclass zouden noemen. Van mijn vaders kant zijn het generaties lang Leidse juristen en dominees en van mijn moeders kant heb ik er een Curaçaose halfadellijke link — mijn overgrootvader was er directeur van de elektriciteitsmaatschappij — en een serie Philips-directeuren. Mijn twee grootvaders keken in de wieg en de ene zei: ‘Dat wordt rechten in Leiden’ en de ander: ‘Dat wordt ingenieur in Delft.’ Uiteindelijk werd het Nederlands in Utrecht. Maar die studie heb ik nooit afgemaakt. Enerzijds omdat ik steeds meer de indruk had dat je werd opgeleid voor het onderwijs, waar ik geen zin in had. Anderzijds omdat er een analytische component in zat met vakken als statistiekleer, ontleden van zinnen en algemene taalwetenschap. Daar haalde ik de ene twee na de andere drie voor. Na drie jaar ben ik er maar mee gestopt. Toen ben ik kratten gaan sjouwen en heb ik een tijdje gedacht in de reclame te gaan — wat me overigens nog steeds aardig lijkt. Toch ben ik kunstgeschiedenis gaan studeren. En dat ging goed. Uiteindelijk ben ik in 1992 als vijftiendejaars afgestudeerd. Ik werkte toen al zeven jaar bij Christie’s en kwam er na een dag werken maar moeilijk toe om nog in de boeken te kruipen.
Delen
Mijn scriptie ging over het zestiende-eeuwse maniërisme met een link naar Italië, waarbij ik de door Karel van Mander genoemde Vlaamse schilder Gilles Coignet onderzocht. Dat was een lutherse kunstenaar die overal werd weggepest, eerst door de katholieken in Antwerpen en later door de calvinisten in Amsterdam. Uiteindelijk is hij geëindigd in Hamburg, het centrum van het lutheranisme. Toen ik mijn scriptie schreef was er een hoogleraar in Princeton die het zo leuk vond dat ik op Coignet afstudeerde dat hij alles wat hij wist naar mij opstuurde. Dat heeft me enorm geholpen. Die man had het niet nodig om op zijn vondst te zitten, hij was als drie keer gepromoveerd. Prachtig zo’n man die sterk was door anderen sterker te laten worden. Dat kom je niet vaak tegen in die wereld.
In de tijd dat ik kunstgeschiedenis studeerde, was er in het tijdschrift Oud Holland een rubriek die ‘Archiefsprokkelingen’ heette. Dan had iemand een jaar lang gestudeerd op een kunstenaar en had dan uitgevonden dat die niet in januari 1651, maar in maart 1649 geboren was en dat als vondst naar buiten bracht. Daar kan ik niet zo goed tegen, dat eindeloos blijven zitten op wat ze gevonden hebben. Juist door te delen word je sterker.
‘Mijn Rembrandt is groter’
Ik ga zelf nooit heel diep op dingen in en wil eigenlijk zoveel mogelijk van zoveel mogelijk weten, zolang het maar in mijn interessesfeer ligt, zoals literatuur, kunst, sport: een eclecticus dus. Het leuke van mijn functie is de combinatie van veel verschillende dingen: van het in contact komen met personen die iets hebben neergezet in combinatie met wat hen beweegt om kunst te verzamelen. Daar zitten altijd hele verhalen achter met allerlei interessante overwegingen. Het is boeiend die mensen te ontmoeten en met ze te praten over een product dat zeer toegankelijk is, namelijk kunst. Kunst is echt everybody’s hobby, iedereen heeft er iets over te zeggen. Iedereen vindt immers zijn schilderij het mooist. In kunst wordt er zeer absoluut geredeneerd. Het boeiende is dan om aan te geven waarom een bepaald schilderij juist wél of niet interessant is in de collectie. Daarover praten is vaak heel leuk.
Maar wat ik erover kan vertellen, doet er vaak helemaal niet toe voor kopers. Vaak wordt kunst simpelweg gekocht omdat men greedy is, omdat men iets graag wil hebben. Of om status te kopen. Dat zie je vooral bij nieuw geld. Dat ze tegen elkaar kunnen zeggen: ‘Mijn Rembrandt is groter dan de jouwe.’
Voor mij is er eigenlijk maar één adagium bij het kopen van kunst: je moet het kopen omdat je het mooi vindt. Dat is een enorm cliché, maar daarom niet minder waar. Als je iets koopt, moet je het voor jezelf doen, niet om een bepaald rendement te maken. Het gaat om het hedonistisch rendement. Vaak wordt kunst ook om andere redenen gekocht. Als het met aandelen minder gaat, wordt het door banken gepropageerd om de risico’s te scheiden, dus in obligaties én aandelen gaan, maar in goud, kunst of bijvoorbeeld wijn.
Moedige mensen
Aanvankelijk denk je bij mensen die hier komen wel eens: die kopen gewoon omdat ze geld hebben, om iets aan de muur te plakken. Dat is niet interessant. Maar op den duur zie je toch dat veel van die mensen een achtergrond hebben. Vaak zijn het ondernemers met eigen bedrijven, vaak heel moedige mensen. Ik ben dan niet zozeer geïnteresseerd in hun producten, vaak uitlaten of plastic, maar wel in hun strategie en tactiek hoe ze het allemaal van de grond hebben gekregen. Niet om het te kopiëren of om het zelf te doen, maar omdat ik het gewoon knap vind. Dan denk ik: ‘Hé, die man heeft een verhaal.’
Ik werd zelf als klein mannetje – waarschijnlijk huilend – de Santa Croce in Florence ingetrokken, die mensen niet. Het is dan toch interessant dat iemand die kunst niet van huis uit heeft meegekregen zich er toch voor gaat interesseren. Enerzijds is dat status zoeken, erbij willen horen, van showing off binnen Nederlandse termen, dus ook een beetje: kijk mij eens geld spenderen aan dingen die ik niet nodig heb. Anderzijds zie je die mensen een oprechte interesse ontwikkelen. Ik vind het interessant om daar bij te zijn. Als veilingman ben je nooit een bedreiging voor iemand. Mensen praten graag over kunst. Je komt ook op een prettig moment in contact met die mensen. Als je ze spreekt, kunnen ze relaxed zijn, zit er niemand te zagen aan hun stoelpoten. Het is soms als praten over voetbal. Dat doen ze ook met enorme felheid, maar dan anders dan wanneer ze praten over hun bedrijf.
Kunst is sport
Ik houd van deadlines, van presentaties en het krijgen van deals in concurrentie. Ik houd van de sport, van het gevecht en vooral van winnen. Ik vind het vreselijk om te verliezen. Ik ervaar het als een kracht die gelukkig gecorrigeerd wordt door anderen. Anders raak je op een gegeven moment in extremen. Toch merk ik ook: hoe ouder je wordt, hoe milder ook. Je referentiekader en relativering worden groter, aan de andere kant moet je altijd scherp blijven. Ik geloof niet in zondagskinderen, ik geloof wel in mensen die geluk en succes afdwingen. Soms vergeten succesvolle mensen wat ze ervoor hebben moeten doen. Ik denk dat iedereen die succesvol is, hard moet werken, soms bikkelhard moet zijn en over lijken gaan als het moet.
Mannen die het maken zijn slimme jongens. Ik ben nu 44 en zit relatief hoog voor mijn leeftijd. Ik ben ook eigenlijk vrij gemakkelijk door het leven heen gemeanderd. Mijn ouders zijn op een gegeven moment uit elkaar gegaan. Ik was de oudste thuis en mijn moeder ging werken. Dat is dan een tegenslag, maar het heeft mij ook sterk en stabiel gemaakt. Dat denk je: geen gedonder, ik wil daar en daar komen.
Wat ik na deze functie wil doen, weet ik nog niet. Misschien ooit naar het buitenland. In Amerika werken lijkt me wel prettig. In Engeland werken lijkt me moeilijk. De mensen die bij Christie’s Londen werken zijn een beetje high-society, van oudsher allemaal Etonians. Daar kom je moeilijk tussen. Van negen tot vijf is het perfect werken met Engelsen, maar daarna hoor je er niet meer bij. Dan ben je guest from overseas. Dat zal iedereen bevestigen die met Engelsen werkt. Engelsen bepalen ook alles altijd na de vergaderingen. Daar hoor je als buitenlander niet bij. Die mentaliteit vind ik niet prettig.
Winst in Amsterdam
Vaak denkt men bij veilinghuizen als Christie’s aan Londen en New York. Dat zijn de centra met de meeste omzet, maar ook met de minste winst. De meeste winst wordt hier in Amsterdam gemaakt, naar verhouding dan. Dat komt door onze lage kosten, de controle over de kosten en ons strategisch bewegen in een bepaald hoog segment van de nationale markt. Wij laten de onderkant van de markt liggen, maar zitten goed in het internationale middensegment en in het nationale hoogsegment.
Daarnaast richten we ons heel erg op de singleowner sales en privé-boedels in het algemeen, zoals die van Dreesmann, de markies van Bath of de baron van Zuylen Rothschild. Daar doen we er vijf à zeven per jaar van: dus van één eigenaar, van één familie de gehele collectie via één catalogus en in één veiling. De baron van Zuylen Rothschild van het kasteel Haarzuilen had 27 miljoen gulden nodig voor de renovatie van het kasteel en wilde voor één miljoen gulden veilen. Dat werd later drie miljoen [de opbrengst, of de inbreng??]. We zijn toen een week bezig geweest om een honderdtal objecten uit te zoeken. Bij het landhuis Longleat van de markies van Bath was het dak verzakt waardoor hij wat geld nodig had. We hebben toen een honderdtal dingen uitgekozen voor de veiling, die 20 miljoen pond opbracht. En we hebben ons keurig gehouden aan de voorwaarde die de National Trust gesteld had: veilen mag, maar je mag niet aan het huis merken dat er iets weg is.
CV
Jop Ubbens is geboren op 16 maart 1959 in De Bilt (Bilthoven). Hij studeerde Nederlands en kunstgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Hij is beëdigd taxateur schilderijen 17e t/m 20ste eeuw, veilinghouder en veilingmeester. Ubbens is sinds 1987 werkzaam bij Christie’s waar hij nu chairman/algemeen directeur is van de vestiging in Amsterdam. Daarvoor heeft hij korte tijd gewerkt in het Frans Hals Museum in Haarlem en het Joods Historisch Museum in Amsterdam. Hij is getrouwd met Cathinka Huizing met wie hij drie kinderen heeft: Wiecher (1993), Cathelijne (1996) en Isabelle (1998). Ze wonen in Bussum.
_________________________________________________________________________
Hieronder een aantal van de interviews van het boek en enkele elders gepubliceerde interviews over persoonlijke kunstbeleving en persoonlijke drijfveren:
H.J.A. Hofland, journalist
Matthijs van Nieuwkerk, journalist en televisiemaker
Femke Halsema, politica
Anthony Burgmans, voorzitter raad van bestuur Unilever
Dick Scheringa, ondernemer en museumdirecteur
Masha Trebukova, kunstenares
Kees van Twist, museumdirecteur
Henk Helmantel, kunstenaar
Aaron Betsky, architectuurdeskundige
Herman Krikhaar, ex-kunsthandelaar/kunstenaar
Ruut Veenhoven, geluksprofessor
Tineke Bahlmann, organisatie-adviseur
Maya Bergmans, directeur Promenade Hotel
Sacha Tanja, conservator
Helleen Pott, filosoof
Hans Galjaard, wetenschapper
Rob van Vuure, tijdschriftenmaker
Gerrit Jan Wolffensperger, ex-voorzitter RvB NOS
Karel Vuursteen, ex-voorzitter RvB Heineken
Jeltje van Nieuwenhoven, politica
Joost van Heijningen Nanninga, headhunter
Cees van Lede, ex-voorzitter RvB Akzo Nobel
Robert Noortman, kunsthandelaar
Jan des Bouvrie, ontwerper
Lodewijk Sillevis-Smitt, advocaat
Jop Ubbens, algemeen directeur Christie’s
Harry Starren, management-deskundige
Marion Bloem, kunstenares en schrijfster
Ronald de Leeuw, hoofddirecteur Rijksmuseum
Cees Dam, architect
Thom C. de Graaf, burgemeester
Anton Zijderveld, hoogleraar sociologie
Ans Markus, beeldend kunstenares
Erik Kessels, reclameman
Frans Weisz, regisseur
Jacques Schraven, ex-voorzitter VNO-NCW
Jan Michiel Hessels, bestuurder
Otto van der Gablentz, ex-ambassadeur
Paul Schnabel, directeur CPB
Reinbert de Leeuw, dirigent, pianist en componist
Vincent Mentzel, fotograaf NRC Handelsblad
Winnie Sorgdrager, voorzitter raad voor cultuur
