Otto von der Gablentz, ex-ambassadeur
• wie? who? • met wie? • wat? • film • blad • boek • internet • insteek • contact
‘GEEN ONDERSCHEID TUSSEN HOGERE EN LAGERE VORMEN VAN CULTUUR‘
‘In Europa zijn we de afgelopen 150 jaar meestal binnen nationale grenzen opgegroeid en heeft de natiestaat ook zoiets als een nationaal bewustzijn opgelegd. Zo werden de Europese opleidingsstelsels met de groei van de natiestaat ineens nationaal van aard. Dat alles leidde ertoe dat de mensen heel sterk met het idee opgroeiden dat er zoiets als nationale karakters zouden bestaan. De afgelopen vijftig jaar hebben we gezien dat dat allemaal niet meer klopt.’
Eerder gepubliceerd in ‘Passie voor kunst’/ interview: Koos de Wilt
Toen ik als student door Europa reisde, besefte ik al heel snel dat het hele idee van nationale kunstontwikkelingen helemaal niet bestond en ook nooit had bestaan. Terwijl kunst altijd internationaal was of ten minste Europees. Ook nog in de negentiende eeuw en zeker weer vandaag. Nu gaat dat zelfs verder en is er een wereldwijde ontwikkeling. Ook mijn privé-leven is ‘Europees’. Zo heb ik mijn huidige echtgenote drieëneenhalf jaar geleden ontmoet toen ik als rector van het Europa College in Brugge een lezing hield voor de Grote Industriële Club in Amsterdam. Zij was als directrice Aziatische kunst van Christie’s hier in Amsterdam aanwezig en vond de lezing eigenlijk vreselijk vervelend en veel te lang. Maar zo hebben we elkaar wel leren kennen en inmiddels woon ik hier met haar in Nederland. Zij werkt in Amsterdam en samen hebben we hier veel gezamenlijke vrienden. Bovendien voel ik me hier thuis. Dat heb ik altijd gehad, ook toen ik hier in de jaren tachtig als ambassadeur werkte.
‘Ik denk dat er veel overeenstemming is tussen Nederlandse en Duitse kunst’
Ik ben gewend om niet in mijn eigen vaderland te wonen. Toen ik in 1952, tamelijk jong nog, was afgestudeerd in rechten heb ik een scholarship in Oxford gevolgd: sociologie en politieke wetenschappen. Daarna heb ik een jaar aan Harvard in Amerika doorgebracht. Vervolgens ben ik assistent geworden op het Europa College in Brugge. Ik dacht toen nog dat er een academische carrière voor mij weggelegd zou zijn. Dus toen ik na bijna zeven jaar terug was in Duitsland, dacht ik zo bij een universiteit verder te kunnen gaan. Maar dat was in die tijd onmogelijk. Het was toen nog zo, dat als je niet je gehele academische carrière bij een bepaalde universiteit had doorgebracht, je dan weer moest beginnen op de plek waar je zeven jaar geleden een andere carrière was gestart. Ik heb toen een beetje rondgekeken en kwam tot de conclusie dat ik dan maar de buitenlandse dienst in zou moeten gaan. Ik had een tamelijk brede achtergrond opgebouwd en kende de ambtenarij van Duitsland vrij goed, zij het van buitenaf.Ik heb het geluk gehad dat ik op zijn minst vijf zeer interessante posten heb gehad: de viereneenhalf jaar onder Helmut Schmidt, waar ik direct met de bondskanselier en het kabinet werkte, de bijdrage die ik heb mogen leveren aan de opbouw bij de politieke samenwerking binnen de EU en drie interessante posten die ik als ambassadeur heb gehad: in Nederland, in Israël en in Moskou.
‘Ik zag het als taak de Nederlanders te vertellen dat Duitsland ondertussen
een ander land was dan het naoorlogse beeld weerspiegelde.’
Toen ik in Nederland kwam, speelden het werkelijk onderhouden van diplomatieke relaties geen belangrijke rol. Veel zaken werden via directe contacten tussen de ministers afgehandeld. Daarnaast had bijna iedereen in Nederland op de een of andere manier wel direct contact met Duitsland. Dus wat was dan eigenlijk de rol van de ambassade? Ik heb geprobeerd die rol te definiëren als die van een mediator, een bemiddelaar tussen twee verschillende culturen die ook in een meer en meer grenzenloos Europa verschillend mogen zijn en blijven. Ik merkte al snel dat het een baan was waar ik naar twee kanten moest werken. Enerzijds naar Duitsland om de Duitsers te laten beseffen dat de Nederlanders terecht trots konden zijn op hun specifieke cultuur. Tot voor tien jaar geleden wisten Duisters daar nog weinig van. Dat is nu verbeterd. Aan de andere kant zag ik als taak de Nederlanders te vertellen dat Duitsland ondertussen een ander land was dan het naoorlogse beeld weerspiegelde. Heel interessant was voor mij dat ik nog net, aan het eind van mijn periode, de Duitse hereniging kon meemaken. De reacties daarop waren menselijk uiterst positief, politiek ook positief, maar intellectueel terughoudend. Zou Duitsland nu niet te groot worden? Zouden er niet weer – zoals men dat noemde – oude Duitse instincten naar boven komen? Ik weet nog dat toen Oost-Berlijners door de gaten van de gevallen muur naar het westen kropen, Nederlandse vrienden zeiden dat die mensen er eigenlijk uitzagen als gewone mensen, als gewone Nederlanders. Dat viel mij op. De opiniepeiling van de Clingendaelstudie in 1993 liet tot verbazing van Nederlanders en Duitsers zien dat juist de jongere generatie een absoluut negatief Duits beeld had. Dat was ook opvallend. Wat je ook over de merites van die studie kunt zeggen, ze heeft wel een heilzame invloed uitgeoefend, want Nederlanders en Duitsers beseften beiden dat ze iets moesten doen om de beeldvorming te verbeteren. Dat was kennelijk nodig, ondanks al die nauwe contacten waarvan we dachten dat die automatisch tot een meer relaxte beeldvorming zouden leiden.
‘Aan het begin van de achttiende eeuw was de Nederlandse schilderkunst
voor de tweede koning van Pruisen nog altijd de enige echte schilderkunst’
Ondanks de verschillen zijn er juist zo veel overeenkomsten. Zo denk ik dat er veel overeenstemming is tussen Nederlandse en Duitse kunst. De kunst van de Hollandse Gouden Eeuw heeft een enorme invloed uitgeoefend op de zeventiende eeuw van Duitsland. Dat was in de tijd dat er nog helemaal geen sprake was van één Duitsland. De grote keurvorst van Pruisen bracht in die tijd een aantal jaren door bij zijn familie in Nederland en toen hij terugging naar Duitsland heeft hij allerlei Nederlandse invloeden meegenomen, waaronder die van de schilderkunst. Aan het begin van de achttiende eeuw was de Nederlandse schilderkunst voor de tweede koning van Pruisen nog altijd de enige echte schilderkunst. Italië was verder weg. De Nederlandse schilderkunst vertegenwoordigde de protestantse cultuur van het niet-katholieke deel van wat nu Duitsland is. Omgedraaid heeft Duitsland ook veel invloed gehad op de Nederlandse cultuur, bijvoorbeeld in de negentiende eeuw, toen de sterke Duitse invloed van de universiteiten de oude invloed van Leiden op de Duitse universiteiten in de zestiende en zeventiende eeuw verving. Toen ik hier werkte, waren Duitsers en Nederlanders elkaars invloeden min of meer vergeten. Nog voor ik naar de universiteit ging in het naoorlogse Berlijn, hebben mijn zusters en ik met elk een paar vrienden een kleine kunstkring opgericht die één keer per week bij elkaar kwam om over kunst te praten. Musea waren er nog niet of waren nog niet open. We hadden alleen de boeken uit de bibliotheken van onze vaders. Mijn vader was professor — een socioloog en econoom — en had als grote hobby kunstgeschiedenis. Voor hem speelde dat nog een rol in het Bildungsconcept van zijn generatie. Voor mij was kunstgeschiedenis een eerste manier om op eigen houtje boeken te lezen en – tussen aanhalingstekens – wetenschappelijk te werken. Ik dacht er toen nog aan om misschien kunstgeschiedenis te gaan studeren, maar dat bood in het naoorlogse Berlijn weinig perspectief op een interessante carrière.
‘Moderne kunst vind ik met al haar uitersten en al haar verschillende en
tegenstrijdige uitgangspunten een weerspiegeling van onze samenleving‘
Door mijn werk heb ik veel kunnen reizen, veel musea kunnen zien en op die manier veel kunnen leren. Voor mij zijn beeldende kunst en cultuur altijd de sleutels geweest tot de interpretatie van de sociale geschiedenis van landen. Maar ook bijvoorbeeld tot de bijbel en de betekenis daarvan voor mensen. Of het nu moderne kunst is of oude kunst, ze vertellen allebei hun eigen verhaal. Moderne kunst vind ik – in tegenstelling tot Hans Sedelmeier in Verlust der Mitte – met al haar uitersten en al haar verschillende en tegenstrijdige uitgangspunten een weerspiegeling van onze samenleving. Ze laat het experimentele van de samenleving zien, een samenleving die niet meer bepaald wordt door de noodzakelijkheid van het leven. Ze laat onze eigen mogelijkheden zien. Iconenkunst, aan de andere kant, is juist een uiterst conservatieve kunst, waarbij de kunstenaars de vormen moesten herhalen en gebonden waren aan strenge religieuze en ambachtelijke regels. Die kunst zegt me ook heel veel. Ze geeft een interessante visie op hoe mensen in een bepaalde tijd dachten over hun wereld. Het hoogtepunt van kunst vind ik het Quattrocento in Italië. Dat is zo perfect op vele gebieden. Het was een woelige tijd, de herfsttij van de Middeleeuwen, zoals Huizinga die noemde; een interessante periode, zeker als je ziet wat er parallel allemaal gebeurde in Europa, zoals in de Vlaamse en Nederlandse schilderkunst in die tijd. Het weerspiegelt allemaal de renaissancegedachte die tot een grote vernieuwing van Europa heeft geleid. voor mij is kunst internationaal. Ik mocht in Laren een tentoonstelling openen over kunstenaarsgemeenschappen die in de loop van de negentiende eeuw ontstonden in het Franse Barbizon, in het Duitse Worpswede, in het Russische Abramtsevo en hier in Laren. Op al die plaatsen was kunst ook altijd iets Europees. Het was vanzelfsprekend dat bijvoorbeeld Liebermann naar Laren kwam om er met Israëls samen te werken. Op een andere manier en in vroegere tijden gebeurde dat ook in de ateliers van de kathedralenbouwers. Dat heeft bijvoorbeeld geleid tot de romantische gedachten van de vrijmetselaars. Natuurlijk was kunst ook gebonden aan de regio waar ze is ontstaan, maar nooit werkelijk. Kunst is altijd zonder grenzen geweest. Zo is de Spaanse kunst voor een belangrijk deel beïnvloed door Van Eyck. Tegelijk had Van Eyck, onder andere door zijn olieverftechniek, een grote invloed uitgeoefend op de Italiaanse kunst.Er is veel over volksaard geschreven toen we zoiets als een nationale volksaard wilden definiëren. Dat heeft een hele grote rol gespeeld in de negentiende eeuw en aan het begin van de twintigste eeuw, maar dat is allemaal zwaar overdreven geweest.
‘In Europa zijn we de afgelopen 150 jaar meestal binnen nationale grenzen opgegroeid
en heeft de natiestaat ook zoiets als een nationaal bewustzijn opgelegd’
Er is niets noodzakelijkerwijs ingebakken in een nationaal karakter van mensen. Natuurlijk spelen het milieu en het klimaat een grote rol bij het vormen van het karakter van mensen, maar we hebben gelukkig afscheid genomen van het idee van onverwisselbare nationale karakters. In Europa zijn we de afgelopen 150 jaar meestal binnen nationale grenzen opgegroeid en heeft de natiestaat ook zoiets als een nationaal bewustzijn opgelegd. Zo werden de Europese opleidingsstelsels met de groei van de natiestaat ineens nationaal van aard. Dat alles leidde ertoe dat de mensen heel sterk met het idee opgroeiden dat er zoiets als nationale karakters zouden bestaan. De afgelopen vijftig jaar hebben we gezien dat dat allemaal niet meer klopt. Dat bijvoorbeeld Italianen op vele gebieden soms veel betrouwbaarder werken dan de Duitsers en Scandinaviërs. Op dit moment zien we een geëuropeaniseerde en geglobaliseerde cultuur en levensstijl ontstaan die ook bij de mensen hoort. Beide ontwikkelingen, zowel dat lokale en dat wereldwijde, moet hun plaats krijgen. Ik heb rechten gestudeerd, maar heb dat nooit echt interessant gevonden. Het is een stukje van mijn achtergrond, niet iets waar ik mijn beroep van wilde maken. Met veel meer belangstelling heb ik sociologie en politieke wetenschappen gestudeerd; die vakken hebben mijn manier van denken gevormd. Met die achtergrond kijk ik ook naar kunst. Ik behoor tot die mensen die zich afvragen waarom ze iets moois vinden en die niet blijven stoppen bij de esthetische ervaring. Er is bij mij altijd een stukje intellectuele benadering aan verbonden. Ik geniet meer van kunst als ik er iets over weet. Als ik iets weet van de legende van de heiligen dan heb ik veel meer toegang tot schilderijen uit de Middeleeuwen. Bij Aziatische kunst is dat nog belangrijker. Dergelijke kennis is ook de sleutel om de kunst van de aboriginals te doorgronden. Het is bijvoorbeeld fascinerend om te leren dat zij ons onderscheid tussen het object en subject niet kennen. Dat leert mij iets over de oorsprong van al onze culturen. In de dreamworld, zoals dat is vertaald in het Engels, herkennen aboriginals hun ouders in de vormen van de landschappen, in de dieren en in de natuur. Ik ervaar die verschillen in culturen altijd als bevrijdend. Je kunt eigenlijk ook geen onderscheid maken tussen hogere en lagere vormen cultuur. Eigenlijk zijn alle culturen op hun eigen manier steeds ontwikkelde culturen. Veel juristen denken er anders over, maar ik zou de ideale opleiding voor de buitenlandse dienst dan ook antropologie vinden, want dat is in wezen toch de basis. Ik zie het recht als een noodzakelijk onderdeel van een samenleving, er moet immers een rechtsorde komen, maar de normale advocatenmentaliteit is absoluut niet de mijne. De juridische techniek interesseert me niet. Juist in deze tijd waarin we na tweehonderd jaar nationale rechtsorde iets op wereldniveau moeten maken, gaat het verder dan wat juristen normaal gesproken doen.
CV
Otto von der Gablentz is in 1930 geboren in Berlijn. Hij studeerde rechten, sociologie en politicologie in Berlijn, Freiburg, Brugge (Europacollege), Oxford en Harvard. Hij was van 1959 tot 1995 in Duitse diplomatieke dienst en was ambassadeur in Nederland, Israël en Rusland. Tijdens zijn diplomatieke carrière heeft hij contact gehouden met de academische wereld. Hij is honorary fellow van de Hebrew University en eredoctor van de Universiteit van Amsterdam en de Bradford University. Tussen 1996 en 2001 was hij rector van het Europacollege. Von der Gablentz is getrouwd en heeft vijf kinderen (uit zijn eerste huwelijk).
___________________________________________________________________________________
Hieronder een aantal van de interviews uit het boek ‘Passie voor kunst’ en elders gepubliceerde interviews:
H.J.A. Hofland, journalist
Matthijs van Nieuwkerk, journalist en televisiemaker
Femke Halsema, politica
Anthony Burgmans, voorzitter raad van bestuur Unilever
Dick Scheringa, ondernemer en museumdirecteur
Masha Trebukova, kunstenares
Kees van Twist, museumdirecteur
Sjaar van Heugten & Andreas Bluhm (van Gogh Museum)
Henk Helmantel, kunstenaar
Aaron Betsky, architectuurdeskundige
Herman Krikhaar, ex-kunsthandelaar/kunstenaar
Ruut Veenhoven, geluksprofessor
Maya Bergmans, directeur Promenade Hotel
Rob van Vuure, tijdschriftenmaker
Gerrit Jan Wolffensperger, ex-voorzitter RvB NOS
Karel Vuursteen, ex-voorzitter RvB Heineken
Jeltje van Nieuwenhoven, politica
Joost van Heijningen Nanninga, headhunter
Cees van Lede, ex-voorzitter RvB Akzo Nobel
Robert Noortman, kunsthandelaar
Jan des Bouvrie, ontwerper
Lodewijk Sillevis-Smitt, advocaat
Jop Ubbens, algemeen directeur Christie’s
Harry Starren, management-deskundige
Marion Bloem, kunstenares en schrijfster
Ronald de Leeuw, hoofddirecteur Rijksmuseum
Cees Dam, architect
Thom C. de Graaf, burgemeester
Anton Zijderveld, hoogleraar sociologie
Ans Markus, beeldend kunstenares
Erik Kessels, reclameman
Frans Weisz, regisseur
Jacques Schraven, ex-voorzitter VNO-NCW
Jan Michiel Hessels, bestuurder
Otto van der Gablentz, ex-ambassadeur
Paul Schnabel, directeur CPB
Reinbert de Leeuw, dirigent, pianist en componist
Vincent Mentzel, fotograaf NRC Handelsblad
Winnie Sorgdrager, voorzitter raad voor cultuur
_____________________
Terug naar de homepage
