Prof. dr Heleen J. Pott, filosoof

‘Een bovenmenselijke nog net beheerste euforie’

Dickinson.jpg5837137.jpgrothko_orange_and_yellow.jpg_________________________________________________________

Ik ben een kind van de jaren zestig, het tijdperk van de popmuziek en het politiek activisme. Toen ik vanuit de provincie in de grote stad Amsterdam sociologie ging studeren, ben ik direct op zoek gegaan naar de studentenbeweging. Maar die was er al niet meer. Wat er nog van over was, was druk bezig zich aan te sluiten bij de CPN. Interview: Koos de Wilt.

 

Het was lang zoeken voor ik de verdwaalde resten vond van wat ooit de beweging was geweest, en ik heb nog een tijd bij een vrijzinnig-radikaal clubje gezeten dat voor zichzelf wou beginnen. Wij waren anti-CPN, anti-maoistisch en anti-establishment – zo’n beetje de theoretische voortzetting van de vrijgevochten linkse geest van de jaren zestig. Er waren soortgelijke splinters overal in Europa, we zijn ooit in Frankfurt op bezoek geweest bij een studentencommune waar Joschka Fischer in zat – toen nog onbekend. Ze woonden riant, in sjieke gekraakte stadsvilla’s. Eéntje was door vrouwelijke studenten overgenomen en via die woongemeenschap belandde ik bij de kraak van het Amsterdamse vrouwenhuis. Halverwege de jaren zeventig had ik het activistische bestaan wel zo’n beetje gehad en kreeg ik ontzettend heimwee naar boeken. Toen ben ik Nietzsche en Schopenhauer gaan lezen en doorgegaan met studeren – filosofie deze keer. Dat was een betrekkelijk obscure studie, pas later is de filosofie geweldig in de mode gekomen. Voor mij kwam Nietzsche precies op tijd. Als je eenmaal meemaakt dat er wereldbeelden botsen in je eigen leven, dan wil je ook weten wat er allemaal achter zit, wat er nog meer is, behalve Marx en Mick Jagger.

‘Voor mij kwam Nietzsche precies op tijd. Als je eenmaal meemaakt dat er wereldbeelden botsen in je eigen leven, dan wil je ook weten wat er allemaal achter zit, wat er nog meer is, behalve Marx en Mick Jagger.’

Uiteindelijk kwam ik via mijn vak onvermijdelijk uit bij wat ze het postmodernisme noemen. De term ‘postmodern’ zou beter afgeschaft kunnen worden, want mensen bedoelen er in verschillende contexten heel verschillende dingen mee. Alles wat erover wordt gezegd is waar, maar het tegendeel meestal ook wel. Ik heb zelf een voorkeur voor wat ze de Franse, postmoderne filosofen noemen, maar ik ben niet dol op postmoderne beeldende kunst en eigenlijk vind ik dat typisch postmoderne tijdvak - tussen de Val van de Muur in 1989 en de aanslagen van 11 september 2001 - een lege, weinig inspirerende tijd. De Amerikaanse cultuurfilosoof Frederic Jameson associeert de postmoderne tijdgeest met de culturele logica van het laatkapitalisme, en daar zit veel in. Maar de Franse postmoderne filosofie, dat is een heel ander verhaal. Nietzsche is een voorloper van Foucault, Deleuze en Derrida, die het postmodernisme ingezet hebben als een kritische doordenking van de moderne cultuur. Het gaat ze niet om een breuk, meer om een radicale reflectie op de mogelijkheden en grenzen van de moderniteit, op de vooronderstellingen van het moderne mensbeeld sinds de Verlichting. Postmoderne filosofen zeggen op hun beste momenten iets heel wezenlijks over de menselijke kwetsbaarheid en machteloosheid, over de risico’s van onze mateloze zelfoverschatting.

Postmoderne kunsten doen vaak iets heel anders, die gaan over commercialisering. Dat is de kunst van het grote geld, van de ICT-hype. De kunst van Jeff Koons, Rob Birza en Rob Scholte, van steeds groter wordende installaties en schilderijen die ook steeds duurder worden en die tenslotte allemaal in de directiekamers van banken en op reclamebureaus komen te hangen. Het is kunst die veel met nieuwe media op heeft: videokunst, digitale kunst, cyberspace-kunst. Interessant om te volgen, maar ik begin er ook een zekere aversie tegen te ontwikkelen, tegen al die installaties met op en neer golvende beelden en interactieve rasterwerkjes. Erg opzienbarend is het allemaal niet. In kringen waar ze met mediakunst bezig zijn, zijn ze elkaar vooral aan het na-papagaaien. Ze roepen bijvoorbeeld dat de kunst in een nieuwe fase is terechtgekomen, maar eigenlijk draaien ze gewoon de premissen van de moderne esthetica om. Zo lang de kunstfilosofie bestaat worden kunst en techniek tegen elkaar uitgespeeld: de enige plek in onze banale technologische wereld waar Waarheid te vinden is, is in de kunst, zeiden uiteenlopende denkers als Schopenhauer en Adorno. Wat zeggen ze dus in trendy kunstkringen? Leve de mediakunst, eindelijk verzoening tussen techniek en kunst en tussen hoge en lage cultuur. Veel meer dan wishful thinking is het niet, het is vooralsnog op geen enkele filosofische reflectie gestoeld, maar bij NWO ligt zo’n kreet geweldig in het gehoor en trouwens ook bij sponsors uit het bedrijfsleven.

‘Het wezenlijke element van kunstervaring is de

combinatie van vreemdheid en van verhevigde werkelijkheid’

 

Mijn persoonlijke interesse ligt elders – die blijft uitgaan naar de vraag wat voor soort fenomeen kunst nou eigenlijk is; welke rol ze speelt in het geheel van cultuur en samenleving. Dan kom je al gauw uit bij klassiekers als Kant, Schopenhauer, Nietzsche, Adorno, Lyotard. Allemaal filosofen die het verschijnsel kunst in verband brengen met een wereld die sinds de achttiende eeuw in snel tempo seculariseert, waar de markt opkomt en het landschap technologischer wordt. Kunst gaat de open plek van de religie opvullen. De filosofen die ik lees beperken hun onderzoek niet louter tot de visuele, beeldende kunsten, die in de postmoderne periode zo en vogue zijn geraakt. Postmoderne kunst is bijna automatisch beeldkunst, terwijl mijn persoonlijke favoriete kunstvormen nog steeds poëzie en literatuur zijn. Woordkunst wordt in de huidige esthetica vrijwel achterhaald verklaard en niet meer interessant gevonden. Maar het gekke is: wat op mij de meeste indruk maakt en wat het diepste gaat, heeft bijna altijd met woorden, met poëzie en literatuur te maken. Dat komt - denk ik - door het calvinisme dat in mijn genen zit. Calvinisten hebben een beetje een probleem met visuele kunst – met alle kunsten trouwens. Zoals de Bijbel zegt: “Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is.” Dat beeldverbod zit er flink ingestampt. Ik kom uit zo’n typisch protestants gezinnetje waar kunst vrijwel afwezig was, waar de slepende klanken van het orgel op zondagmorgen ongeveer het enige waren wat naar kunst verwees. De piano bij ons thuis had vooral een symbolische waarde. Mijn vader was burgemeester maar eigenlijk had hij dominee moeten worden, net als mijn opa. Die was dominee voor de Gereformeerde Bond in Kralingen.

Als ik nu van Rotterdam Centraal naar de faculteit op Woudestein fiets, kom ik langs de kerk waar hij gepreekt moet hebben, en dat geeft een gevoel van continuïteit – alsof het zo heeft moeten zijn. Hij verkondigde Gods woord en ik ga als humanistisch hoogleraar verderop uitleggen hoe het met de kunsten gesteld is, na de dood van God. Hoe gaat het met de kunsten? In Nederland niet geweldig, denk ik. Kunstbeleid is de laatste jaren cultuurbeleid geworden. Alle politieke trends zijn er in neergeslagen. Het gaat regelmatig over economisering, allochtonisering, popularisering en verjonging van de kunsten. Er zit de denkfout achter dat je de kunsten toegankelijk zou moeten maken voor allerlei doelgroepen, in plaats van individuen uit die doelgroepen ontvankelijk te maken voor kunst. Wanneer je wilt dat minderheidsgroepen meer participeren in kunst, moet je ze optimaal de kans geven hun talenten te ontdekken en te ontwikkelen, zodat ze kunnen gaan horen tot de geestelijke elite – een ander woord is er niet voor - die affiniteit met kunst heeft. Dus moet je je energie, je aandacht en je geld in goed onderwijs voor allochtonen en achterstandsgroepen steken. En dat is precies wat er niet gebeurt. De oude SDAP wilde de arbeidersklasse verheffen zodat die van Beethoven zou gaan houden maar wat wil de huidige sociaal-democratie? Die wil dat de kunst even populair wordt als SBS 6 en dat kunstenaars gezellig op hun hurken gaan. Ik ben het eens met de kritici die zeggen dat de PvdA zich verkeken heeft op haar materiële successen, en niet wou zien dat de culturele ongelijkheid in stand blijft, dat er een groeiende groep is die afhaakt. Wat je om je heen ziet is dat de populaire cultuur almaar groeit en dat Marco Borsato en SBS 6 de restanten hoge cultuur gewoon opslorpen – niks geen mix van hoog en laag. Alleen een hele kleine groep – in mijn generatie - die zowel met popmuziek en Hitweek als met Homerus groot geworden is, heeft zo’n rare boekenkast waar Asterix en de gedichten van Achterberg naast elkaar staan. Daar moet je je niet blind op staren – wij zijn verder niet representatief. Het postmodernisme heeft de linkse politiek ingehaald en wat overblijft is platte commercie.

‘Ik lag naar de TV te kijken en was volslagen gefascineerd, door iets waar ik niks van snapte. Ik kon het nergens mee verbinden, met niets wat ik kende van thuis of school. Het was rauw, vreemd en wreed en tegelijkertijd dacht ik: precies zo is het, zo is het leven, zo zijn mensen, zo gaan ze met elkaar om.’

Kunstsmaak is erg afhankelijk van sociale context, en van toevalligheden. Mijn allereerste kunstervaring was dat ook. Ik was een jaar of twaalf toen wij televisie kregen. Mijn ouders waren vaak weg en ik kon de hele avond voor de televisie liggen. Ik herinner mij dat er op donderdagavond toneel was: Nederlands toneel met Ton van Duinhoven in een vies leren jasje. Volgens mij was het een stuk van Harold Pinter. Ik lag daar naar te kijken en ik was volslagen gefascineerd, door iets waar ik niks van snapte. Ik kon het nergens mee verbinden, met niets wat ik kende van thuis of school. Het was rauw, vreemd en wreed en tegelijkertijd dacht ik: precies zo is het, zo is het leven, zo zijn mensen, zo gaan ze met elkaar om. Ik denk nog steeds dat dat het wezenlijke element is van de kunstervaring: die combinatie van aanvankelijke vreemdheid en van verhevigde werkelijkheid. Kunst confronteert je met iets dat verder reikt dan de bekende alledaagse werkelijkheid en dat tegelijkertijd echter is dan echt. Er zit een soort transformatie in de kunstervaring, je krijgt een zekere afstand tot het dagelijks leven en ook tot jezelf. Dat beperkt zich niet tot toneel, bij een Vermeer werkt het ook zo. Kunstervaring wortelt volgens psychologen in dezelfde bewustzijnslagen die in het geding zijn bij religieuze en erotische ervaringen – die genereren vergelijkbare gevoelens van een verhevigde werkelijkheid. Kunst activeert een bovenpersoonlijke emotie. Het gaat niet meer om jou. Willem de Kooning heeft eens gezegd: “Als het goed gaat, schilder ik mijzelf het doek uit.” Als je echt een groot kunstenaar bent, dicht je jezelf het gedicht uit of schrijf je jezelf het verhaal uit. Kunst raakt aan iets dat universeel is en boven jouw subjectiviteit uitstijgt. Vergelijk het maar met de emotie die hoort bij grote verliefdheid: daar voel je soms ook een bijna religieuze maar toch heel zintuiglijke ontroering, dat je iemand laat zijn wat ie is. Het interessante van een denker als Nietzsche is dat hij het bijna voortdurend heeft over dit soort dingen: over inspiratie als een soort verliefdheid, maar dan niet een romantische egomane roes, maar een bovenpersoonlijke, nog net beheerste euforie. Volgens Nietzsche is de romantiek de grootste vijand van de kunst.

Het idee van beheersing vind je bijvoorbeeld ook bij Emily Dickinson, een dichteres die minimalistische poëzie schreef die heel vreemd is; zij is trouwens zelf ook heel vreemd. Dickinson heeft haar hele leven in het ouderlijk huis gewoond waar maar twee boeken waren: de Bijbel en het verzameld werk van Keats. Zij had een soort oogziekte waardoor ze bij tijden aan beide ogen bijna blind was. Haar poëzie schreef ze voor eigen gebruik, het waren genummerde gedichten, heel erg onsentimenteel, heel ontoegankelijk, maar juist daarom, als het je lukt er in binnen te komen, verpletterend ontroerend. Ze gaan over de dood, de liefde, de natuur. Mensen die meer op visuele kunst ingesteld zijn, krijgen waarschijnlijk vergelijkbare gevoelens bij schilderijen van Barnett Newman en Marc Rothko. Die zijn ook minimalistisch, het zijn kleurvlakken die op een bepaalde manier gaan werken, zodat je hele systeem van slag raakt.

‘Kunstervaring wortelt volgens psychologen in dezelfde bewustzijnslagen die in het geding zijn bij religieuze en erotische ervaringen – die genereren vergelijkbare gevoelens van een verhevigde werkelijkheid.’

Ik heb het ook bij een schrijver als Coetzee. Het slot van IJzertijd is subliem, het heeft een beangstigende vreemdheid en beklemming. Coetzee laat zien dat na de apartheid de trauma’s en de ijzeren logica van het geweld niet weggenomen kunnen worden. Hij is daar bijna ondragelijk hard over en heel duidelijk. Zulke boeken zoek je niet op, ze komen op de een of andere manier bij je langs. Vanaf het moment dat ik heb leren lezen, heb ik weinig anders meer gedaan. Ik las alles, de hele dag door, het was een soort boeken-boulimie. Ik heb de hele wereldliteratuur op een volstrekt onsystematische manier tot me genomen. Dat begon bij Karl May en op de middelbare school Wolkers en alle andere boeken die verboden waren. Toen ik die achter de rug had, dacht ik: dan nu het verzameld werk van Proust en Musil. Maar dat viel tegen, het leven is te kort om alles te lezen wat je wilt.

Pas sinds een jaar of vijf word ik selectiever. Nu vind ik boeken die ik vroeger verslond eigenlijk helemaal niet zo goed meer. En er komen nauwelijks nieuwe helden meer bij. Kennelijk is er een esthetisch criterium geactiveerd waardoor Philip Roth niet meer echt voldoet en Saul Bellow onleesbaar is geworden. Je kiest niet bewust, je constateert het op een gegeven moment gewoon. Ik snap van literatuur nog altijd meer dan van schilderkunst. Mijn vriend is een Vermeer-fan, die kan uren naar Het Gezicht op Delft staren en het heeft lang geduurd voor ik daar iets van begon te snappen. Hij liet me zien dat er iets met het licht is, dat Delft wordt beschenen door een bovenaards licht. Je herkent tenslotte iets dat je zelf nooit zo neer zou kunnen zetten. Niet in woorden, niet in kleuren, niet op video. Achteraf denk ik dat ik van filosofie mijn vak gemaakt heb, omdat ik zulke ervaringen op één of andere manier wilde begrijpen. Ik ben er nog niet helemaal achter, maar ik kom wel dichterbij. Ik denk wel eens dat als ik niet was gaan filosoferen, de chaos in mijn hoofd ondragelijke proporties zou hebben aangenomen.

Heleen Pott (1952) werd geboren in Ridderkerk, onder de rook van Rotterdam. Zij groeide op in Opheusden (Betuwe), en bezocht het Stedelijk Gymnasium in Tiel. Na een studie sociologie, filosofie en literatuurwetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam en diverse baantjes, promoveerde zij op een proefschrift over filosofische emotietheorieën (UvA 1992, cum laude). De handelseditie verscheen onder de titel De liefde van Alcibiades (Boom 1992). Ook publiceerde zij Pessimisme als Filosofie (Ambo 1989), en redigeerde diverse bundels, onder meer (met Maarten Doorman) Filosofen van deze tijd (Bert Bakker 2000). Zij maakte deel uit van de redacties van het Algemeen Nederlands Tijdschrift voor Wijsbegeerte, Krisis, en Filosofie & Praktijk. Momenteel doceert zij filosofie aan de Universiteit Maastricht, en is als Socrates-hoogleraar Kunst & Samenleving verbonden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Zij woont samen met een man, zes vissen en 5000 boeken.

___________________________________________________________________________________

Hieronder een aantal van de interviews van het boek en enkele elders gepubliceerde interviews over persoonlijke kunstbeleving en persoonlijke drijfveren:
H.J.A. Hofland, journalist
Matthijs van Nieuwkerk, journalist en televisiemaker
Femke Halsema, politica
Anthony Burgmans, voorzitter raad van bestuur Unilever
Dick Scheringa, ondernemer en museumdirecteur
Masha Trebukova, kunstenares
Kees van Twist, museumdirecteur
Sjaar van Heugten & Andreas Bluhm (van Gogh Museum)
Henk Helmantel, kunstenaar
Aaron Betsky, architectuurdeskundige
Herman Krikhaar, ex-kunsthandelaar/kunstenaar
Ruut Veenhoven, geluksprofessor
Tineke Bahlmann, organisatie-adviseur
Maya Bergmans, directeur Promenade Hotel
Hans Galjaard, wetenschapper
Rob van Vuure, tijdschriftenmaker
Gerrit Jan Wolffensperger, ex-voorzitter RvB NOS
Karel Vuursteen, ex-voorzitter RvB Heineken
Jeltje van Nieuwenhoven, politica
Joost van Heijningen Nanninga, headhunter
Cees van Lede, ex-voorzitter RvB Akzo Nobel
Robert Noortman, kunsthandelaar
Jan des Bouvrie, ontwerper
Lodewijk Sillevis-Smitt, advocaat
Jop Ubbens, algemeen directeur Christie’s
Harry Starren, management-deskundige
Marion Bloem, kunstenares en schrijfster
Ronald de Leeuw, hoofddirecteur Rijksmuseum
Cees Dam, architect
Thom C. de Graaf, burgemeester
Anton Zijderveld, hoogleraar sociologie
Ans Markus, beeldend kunstenares
Erik Kessels, reclameman
Frans Weisz, regisseur
Jacques Schraven
, ex-voorzitter VNO-NCW
Jan Michiel Hessels, bestuurder
Otto van der Gablentz, ex-ambassadeur
Paul Schnabel, directeur CPB
Reinbert de Leeuw, dirigent, pianist en componist
Vincent Mentzel, fotograaf NRC Handelsblad
Winnie Sorgdrager, voorzitter raad voor cultuur

_____________________

Terug naar de homepage