Interviews met zonen van beroemde winkeliers
DE ZAAK VAN PA IN, DAT NOOIT!

Dat nooit, zeiden ze ooit als ze gevraagd werd in de winkel van hun vader te komen. De winkel is te klein, teveel familie, stoffig. Zij trokken liever de wereld in op zoek naar het eigen pad, iets anders, iets groters, avontuurlijker. Nu zitten Sander Lusink, Robert Aronson en Dennis Martens tóch in de zaak. Het verhaal van drie zoons die tot inkeer kwamen.
Koos de Wilt voor Het Financieele Dagblad
‘Vaak begin je met een 0-1 achterstand’
SANDER LUSINK (34), ZOON VAN OGER LUSINK
Mede-eigenaar van Oger
Ik was dertien toen mijn ouders uit elkaar gingen. Mijn broer en ik bleven bij onze moeder wonen, waardoor de zaak iets was op afstand. Iets van mijn vader. Mijn moeder was de stabiele factor. Zij heeft ons opgevoed, ons geleerd netjes en geadministreerd te zijn. En zij heeft ons geleerd ons goed te kleden. Mijn broer is dyslectisch, waardoor doorstuderen voor hem wat lastiger was. Daarom ging hij al snel in onze winkel werken. Hij is ook heel creatief en daardoor snel zijn plek gevonden als inkoper en ontwerper. Ik wilde doorstuderen en kijk en wat er buiten de zaak van mijn vader te beleven viel. Ik liep veel stages, bijvoorbeeld in Amerika op de marketingafdeling van een supermarktketen en bij Ajax, waar mijn vader goede contacten had. Niet dat zo’n contact het dan makkelijker maakte. Je bent dan al snel het zoontje van. Het hielp ook niet dat ik mijn eerste dag in pak binnenkwam. Alleen de directie liep in pak. 0-1 achterstand, was dat. Mijn laatste stage heb ik bij mijn vader op de zaak gelopen. Op gegeven moment begon het toch te trekken. Dat beviel zo goed dat hij mij vroeg om bij hem marketing manager te worden. Daar moest ik over nadenken. Het was een precaire keuze. Ook voor mijn moeder. Die zei: ‘Je moet doen wat je zelf wilt.’ Ze vond het uiteindelijk wel mooi dat de twee zonen bij hun vader werkten.
Een van de eerste dingen die ik deed was een Oger magazine maken en naar onze 18 duizend klanten sturen. Ik dacht dat er de volgende dag rijen voor de deur zouden staan. Niet dus. Daar gaat het niet om, lachte mijn vader toen. Het gaat om één op één contacten. Een CRM systeem is prachtig, maar nog mooier is je klanten echt te kennen. Dat is zijn marketinginstelling. Hij was een van de eersten die met de Oger potpourri geur als marketingtool is gaan gebruiken. Mensen die ’s ochtends voor het eerst hun nieuwe pak aantrekken en die geur ruiken, denken dan aan ons. Dat is typisch zijn onorthodox denken. Dat we bijvoorbeeld niet uitbuiten dat wij advocaten, ondernemers, de premier of prinsen kleden, maar bijvoorbeeld de 3 j’s voor het songfestival. Of de spelers van Ajax. Jonge jongens in klassiek Italiaans maatwerk - dat valt veel meer op. Veel marketeers zullen misschien zeggen dat het te volks is. Maar wij zijn oprecht fans van die band en wij houden van Ajax.
Mijn vader heeft een hectisch en bewogen leven. Onrustig ook. Dat komt misschien ook doordat zijn eigen vader getraumatiseerd uit de oorlog gekomen. Hij had in het verzet gezeten de vreselijke dingen meegemaakt. Van dat trauma heeft mijn vader zich proberen los te maken. Hij praat daar niet graag over, maar het maakt ook dat hij niet zo snel in mooie praatjes geloof. Het gaat hem alleen mensen. Dat vind ik ook. Je moet hem ook niet lastigvallen vallen met ingewikkelde Excel sheets, aan het eind van de dag zet hij liever biertjes en bitterballen op tafel om te praten over hoe het ging die dag. En elke ochtend begint met elkaar een hand geven en elkaar in de ogen kijken en vragen hoe het gaat. Dat moet je een mee aankopen bij een groot bedrijf. Juist dat persoonlijke past bij mij. Maar je moet ook nuchter zijn over die betrokkenheid bij een familiebedrijf. Goede medewerkers gaan vaak snel weg. Mijn vader zegt altijd: ‘Je leert ze met mes en vork eten en dan beginnen ze een eigen restaurant’. Dat zij dan zo.
‘Uiteindelijk ben je verantwoordelijk voor je eigen daden’
robert d. aronson (40), zoon van dave aronson (1946-2007)
Eigenaar Aronson Antiques en lid van dagelijks bestuur Tefaf
Eigenlijk had ik weinig met handel. Op school ben ik een keer getest en daaruit kwam dat ik er niet geschikt voor was. Ik voel me ook niet echt een antiekhandelaar. Maar gelukkig hoef ik dat ook niet echt te zijn. Je ontmoet hier mensen als ze met hun hobby bezig zijn. Je spreekt – oneerbiedig gezegd – oud geld op het moment dat ze ontspannen zijn. Achterover leunend en met hun das af. Het gaat wel vaak om veel geld, soms honderdduizenden euro’s. Het vak is van een uit de kluiten gewassen hobby een internationale onderneming geworden. Het gaat in deze tijd verder dan hier en daar wat inkopen en koffie drinken met je klanten om het door te verkopen.
Ik weet nog dat op een dag hier op de Spiegelstraat een keurige Engelsman in pak voor de deur stond met daarnaast een wat slonzige man in een leren broek die verder niks zei. Mijn vader bleef voortdurend die meneer in pak toespreken en negeerde de man ernaast. Toen de heren weg waren moest ik mijn vader vertellen dat die meneer ernaast Mick Jagger was. Had ie nog nooit van gehoord. Hij had niets met popmuziek of andere moderniteiten. Mijn vader heeft mij niet gepusht in de zaak te gaan. Mijn grootvader wél, voor hem was het vanzelfsprekend en dat werkte dus niet. Ik stond op het punt econometrie te gaan studeren tot een vriend van mijn vader het over een andere boeg gooide. Hij stelde alleen maar vragen. En zo kwam ik erachter dat de kunsthandel niet stoffig of wereldvreemd was. Het was ook een mooie kans in een zaak te stappen die al meer dan honderd jaar in de familie zat. En bovendien: waar kun je zo snel al een eigen draai geven aan wat je wilt bereiken?
Ik was 36 toen mijn vader op zijn zestigste stierf. Zeventien jaar heb ik met hem samengewerkt. Zijn dood heeft mij pas echt bewust gemaakt van de verantwoordelijkheden die je in dit vak hebt. Toen ik hier als flierefluiter begon, was ik mij daar eigenlijk nooit zo bewust van. Toen mijn vader wegviel, voelde ik ook de verantwoordelijkheid die hij had voor de mensen om hem heen. Daar stond ik ineens alleen voor. Maar er is ook iets van mijn schouders afgevallen. Ik weet nog dat ik een keer in Parijs iets anders gekocht had dan de bedoeling was en ik plankgas terug reed naar huis om maar zo snel mogelijk van mijn vader te horen wat hij ervan vond. Feitelijk was ik uit op een schouderklopje van hem. Die onzekerheid is er niet meer. Ik ben zelf verantwoordelijk voor mijn daden.
Ik zit sinds kort in het dagelijks bestuur van de Tefaf. Tijdens de keuring zie je dan de mooiste kunstvoorwerpen van de wereld. Maar dat zeggende realiseer ik mij dat het mij eigenlijk om de mensen gaat. Dat is toch de business. De combinatie van kennis van zaken en de relatie met klanten. Mijn moeder is er altijd bij als er bijeenkomsten zijn met klanten. Ze is een belangrijke link met het verleden van de zaak. Ik heb zelf drie jonge kinderen en één ervan zou weleens in de zaak kunnen komen. Wat mij opvalt, is dat hij dingen echt ziet, dat hij zegt dat er bijvoorbeeld op een schilderij op de Tefaf een treintje te zien is. Dan ga ik de volgende dag kijken en inderdaad. Hij kijkt dus niet alleen kijken, hij ziet het ook echt. Daar begint het mee…
‘Op zo’n manier pas ik toch in het familiebedrijf’
DENNIS MARTENS (27) ZOON VAN LUUD MARTENS VAN LEON MARTENS JUWELIERS
Commercieel manager bij Schaap & Citroen
Ik ben geboren in een echte ondernemersfamilie. De zaak ging voor alles. Vroeger al, als mijn ouders in het weekend of ‘s avonds verplichtingen hadden, vingen onze grootouders mijn broer en mij op. Ik heb daar nooit last van gehad. Er was liefde genoeg. Wij kenden niet anders. In 1907 al begon mijn overgrootvader een eigen klokkenzaak in Maastricht. Na de Tweede Wereldoorlog startte mijn opa Leon Martens op zijn beurt een eigen zaak aan de Stationsstraat. Het is niet alles wat glimt in het juweliersvak. Horloges waren op de bon na de oorlog. Later, in de jaren tachtig, toen hij 24 jaar was, nam mijn vader de winkel over. Maar hij wilde het helemaal zelf doen. Alles op zijn eigen manier doen, samen met mijn moeder. Ze begonnen direct met het aantrekken van mooie merken die goed vielen in Maastricht, een stad waar mensen liever overdressed dan underdressed zijn.
Mijn oudere broer Lex werkte vroeger al vaak in de winkel in Maastricht, hij heeft stages gelopen bij bekende horlogemerken en heeft naast een algemene studie ook een opleiding tot edelsteenkundige en diamantair gedaan. Hij wilde altijd al in de zaak. Ik niet, ik wilde iets heel anders, grote dingen doen en ben in Rotterdam bedrijfskunde gaan studeren. Mijn wereld was in Rotterdam en Maastricht was ver weg. Ik wilde de financiële wereld in; corporate finance en fusies en overnames. Maar ja, in de periode dat ik aan de slag wilde, ging Lehman Brothers failliet en werd Merill Lynch overgenomen. Banen waren er niet. Mijn ouders namen mij toen mee naar een inkoopbeurs in Basel en daar kwam ik - al dan niet toevallig - aan tafel te zitten met de toenmalige CEO van Schaap & Citroen, een juweliersketen die eigendom was van investeringsbedrijf Maxeda met grote bedrijven als Hema, Hunkemöller, Bijenkorf en V&D. Door dat gesprek begreep ik dat het juweliersvak ook iets anders kon zijn dan alleen een winkel leiden en alles weten over juwelen en merken. Een paar weken later solliciteerde ik bij Schaap & Citroen.
Ik kende het juweliersvak niet. In het begin stond ik er vooral in de winkels, hielp met het maken van het magazine en organiseerde evenementen. Maar ik werd ook betrokken bij meer strategische vragen. Bijvoorbeeld of het niet een goed idee was dat Martens juweliers Schaap & Citroen zouden overnemen. Martens was wel een partij waar de merken wel mee in zee wilden. Dat idee legde ik dus voorzichtig voor aan mijn ouders. Aanvankelijk voelden ze daar niks voor. Waarom zouden ze? Ze zagen veel risico’s, zeker in de crisistijd toen iedereen een double dip vreesde, leek een juweliersketen kopen gekkenwerk.
Toch is het gebeurd en het is fantastisch om daaraan te mogen meewerken. Nu zijn mijn broer en ik toch collega’s geworden. Twee tegenpolen samen in een bedrijf. Wie had dat gedacht? Mijn vader is er trots op. Van hem heb ik leren inzien dat je in het juweliersvak de hele dag met mensen te maken hebt die iets te vieren hebben. Hij is nu 59 jaar en samen met de CEO vormt hij de directie. Daaronder werken mijn broer en ik. Hij in Maastricht en ik vaak in het Noorden. We hebben allebei ruimte voor onszelf. Hij houdt van de verkoop en de klanten en ik hou van reizen, van strategie en nieuwe dingen opzetten. Ik heb nooit gedacht dat ik in de zaak zou gaan, maar op deze manier kan het dus wel.
