Kunstcollectie Joop van Caldenborgh in de Kunsthal
‘Mijn smaak is niet wezenlijk veranderd. Het enige dat anders is, is dat het groter en onmogelijker is geworden.’
Joop van Caldenborgh (1940) is in de kunstwereld wereldbekend als één van de grootste Nederlandse privéverzamelaars. Zijn Caldic Collectie is een enorme verzameling van vooral moderne en hedendaagse schilderkunst, fotografie en de beeldentuin op het landgoed in Wassenaar. De collectie is mogelijk gemaakt door passie voor kunst en door succesvol ondernemerschap. Van Caldenborgh is oprichter van het Rotterdamse Caldic BV, producent van chemicaliën en voedingsadditieven voor de industriële markt. Veertig jaar bestaat het bedrijf nu en dat is aanleiding van de tentoonstelling in de Rotterdamse Kunsthal. Een gesprek met hem, thuis op zijn landgoed. Tekst: Koos de Wilt voor Tableau.
Een bezoek aan het Wassenaarse landgoed Clingenbosch is zelfs met hevige regenval een belevenis. Na de toegangspoort meanderend de weg door het park langs een paar van de meer dan zestig sculpturen die tussen de bomen de ruimte krijgen. Beroemde namen als Anish Kapoor, Armando, Henry Moore, Sol LeWitt, Antony Gormley, Richard Long, Paul McCarthy, Mario Merz en Jean Tinguely staan er, gewoon op een privéterrein. In de witte villa werk aan de muren en op de grond dat door de kunsthistorici in dienst regelmatig wordt afgewisseld. Beneden in huis, naast het zwembad, een vijftien meter lange boekenkast met duizenden kunstboeken. Het aantal kunstwerken in huis is beperkt in relatie tot de collectie van vele duizenden, met name, hedendaagse kunstwerken. Vanaf 5 februari tot 15 mei toont de Rotterdamse Kunsthal een selectie van kunst die de verzamelaar de laatste tien jaren heeft aangeschaft. De titel van de tentoonstelling, ‘I promise to love you, is ontleend aan het gelijknamige neonwerk van de Britse kunstenares Tracey Emin: een rood brandend hart aan de muur, gevuld met een liefdesbetuiging. Op de tentoonstelling recent werk van kunstenaars als Ai Weiwei, Louise Bourgeois, Damien Hirst, Anselm Kiefer, Yayoi Kusama, Ernesto Neto, James Turrell en Robert Zandvliet. Van Caldenborgh: ‘Mijn smaak is niet wezenlijk veranderd. Het enige dat anders is, is dat het groter en onmogelijker is geworden. Een verschil met vroeger is dat ik niet meer nadenk over wat ik ermee doe. Ik woon hier nu 22 jaar en sinds ik hier de tuin heb, hoef ik bij beelden minder over de grootte na te denken. Daarvoor dacht ik: waar hang ik het? Of, sinds alle wanden al wel behangen waren: kan ik het ooit ergens hangen? Daar heb ik de laatste tien jaar niet meer over gedacht. Sommige werken heb ik sinds de aanschaf niet meer gezien zoals ik ze in de Kunsthal kan zien.
___________________________________________________
Tentoonstelling
Vanaf zijn vijftiende of zestiende, afhankelijk van welke kranten je leest, zoals de ondernemer zegt, kocht Van Caldenborgh al kunst. Het eerste werk was een zeefdruk van Peter Struycken voor 25 gulden, betaald met zijn krantenwijk. Al snel is dat steviger vormen aan gaan nemen. ‘Je krijgt een wat bredere portemonnee en krijgt een kantoor om het op te hangen en dan nóg een kantoor om dingen op te hangen. Inmiddels hebben we een hele hoop kantoren. Maar zo’n tachtig procent van de kunst bevindt zich tegenwoordig in opslag. Ik heb drie kunsthistorici hier werken en met één ervan, Suzanne Swarts, heb ik de tentoonstelling samengesteld. Die maakte de catalogus en een opzet van wat waar hangt. We mochten van de Kunsthal zelf de wanden neerzetten en bepalen wat er te zien is en waar. Aanleiding was dat mijn zoon Olav vroeg: maak je nog een tentoonstelling bij het veertigjarige bestaan van het bedrijf? Dat vond ik een goed idee, maar door de grootte van veel werken wilde ik dat niet op kantoor doen. Toen ben ik in Rotterdam wat gaan rondkijken en ben zo bij de Kunsthal aangekomen. Op de tentoonstelling hangen we zo’n zeventig werken op die haast allemaal zijn aangeschaft en/of gemaakt in de afgelopen tien jaar. Het is een selectie uit enige duizenden die we gekocht hebben in die periode. Niet per se de beste, maar gewoon omdat wij die goed bij elkaar vinden passen. Veel werk kunnen we in de Kunsthal ook de ruimte geven, zoals een groot videowerk van Sam Taylor Wood dat zo’n twaalf bij achttien meter is. Of werk van de lichtkunstenaar James Turrell waar we een speciale ruimte voor moeten inrichten of een vitrinekast van 3,5 bij 5 meter van Anselm Kiefer. Net als het meeste van de collectie staat dit werk in opslag in een loods hier in de buurt. Nu kunnen we het zien, zoals het bedoeld is.’
Rotterdam
Na zijn diensttijd begon Van Caldenborgh in 1963 als autoverkoper en even later kwam hij even in dienst van chemiebedrijf Hercules. In 1970, op zijn 29e, begon hij voor zichzelf en richtte Caldic op als handelsmaatschappij waarna hij in 1974 het eerste productiebedrijf kocht. Caldic heeft twee fabrieken in Nederland – in Zevenbergen en Europoort – en handelsvestigingen en agentschappen verspreid over Europa en ook Zuidoost-Azië. Ooit waren er ook artistieke ambities: ‘Ik kon wel aardig tekenen en illustreerde het schoolblad, maar ik had al vroeg door dat ik niet in de wieg gelegd was als kunstenaar. Zakenman paste beter. Met het bedrijf gaat het ook in deze crisis meer dan uitstekend. Mijn zoon runt het sinds vier jaar en dat doet ie voortreffelijk. Wij doen veel in de voeding, cosmetica en farmacie en die zijn niet conjunctuurgevoelig. Onze klanten in de bouw en automobielindustrie hebben wel klappen gekregen, maar met de McDonald’s van deze wereld, die gebruik maken van voedingschemie, gaat het juist beter. Met minder geld gaan mensen daar eten. Albert Heijn doet het ook beter. Als mensen minder te besteden hebben, gaan ze minder uit en meer thuis eten. Ik ben het bedrijf begonnen in Rotterdam toen ik zelf nog in Delft woonde, vlakbij Jan Schoonhoven. Schoonhoven ging dan op de fiets naar de PTT en ik in de auto naar de zaak in Rotterdam. Rotterdam is voor de chemische industrie een belangrijke plek. Daar komt alles binnen en gaat alles eruit en daar wordt ook veel gemaakt. Ook de mentaliteit spreekt me aan: lekker duidelijk, rechtstreeks, een woord is een woord, kort door de bocht. Ik heb een zeer groot Rotterdams hart, maar zoals elke goede Rotterdammer woon ik uiteindelijk in Wassenaar (haha). Ik ben een geboren Hagenaar, maar heb mijn leven in Rotterdam verkeerd. Mijn vader was ambtenaar in Den Haag. Hij is een paar jaar geleden overleden en hij keek naar het bedrijf en naar de kunstcollectie met iets van: het kan niet waar zijn. Eind 2002, begin 2003 had ik een tentoonstelling in Boijmans van Beuningen met de titel ‘Imagine you are standing here in front of me’. Ik weet nog dat we samen door de tentoonstelling liepen die daarna op het NOS journaal te zien was. Hij was 94 toen. Ik had wel de indruk dat hij daar trots op was ondanks dat hij niet alles per se mooi vond of alles begreep. Hij had niet zo veel met kunst, maar hij vond het toch wel wat, zo’n heel museum leeggeruimd voor zijn zoons kunst. Ik word zelf nog geroerd als ik dat filmpje zie.’
De verzameling
______________________________________________________
De meeste verzamelaars beginnen figuratief en eindigen met de kunst waarmee Van Caldenborgh is begonnen. Van Caldenborgh: ‘Ik heb heel lang vooral minimalistisch verzameld. Kunstenaars als Struycken, Schoonhoven en anderen uit de nulbeweging en de minimal art. Dat waren de kunstenaars van de tijd toen ik het kocht. Pas later ben ik meer figuratiever werk gaan waarderen en verzamelen. De gemeenschappelijk noemer van de collectie is dat het allemaal door mijzelf is aangeschaft. En allemaal geproduceerd gedurende mijn leven. Ik koop weleens wat terug, omdat het in de collectie past of omdat ik het een lekker werk vind en het op de markt komt. Die Morandi bijvoorbeeld in de kamer hiernaast. Ik ga met grote regelmaat atelier en galeries bezoeken in New York, Londen, Parijs, Brussel en ook in Amsterdam en omgeving. Ik ga eigenlijk altijd wel met wat naar huis. Als ik naar Chelsea ga op Manhattan, dan loop ik de galeries allemaal af en hoop ik dat niemand me herkent. Dan wandel ik in en uit in en kom dan de volgende dag terug om te kijken of ik het goed gezien heb. Zo ja, dan schaf ik het gelijk aan. Een galerist stelt zich vaak op als een kunstenaar, hij beheerst het onderdeel kijken naar kunst vaak goed, maar feitelijk is hij toch ingehuurd om op te treden als trait d’union tussen mij en de kunstenaar, dus ook zakelijk. De succesvolle galerist beheerst dát deel ook goed. gaat in Nederland aardig wat goede kunst voorbij, omdat er in Nederland geen galerist is die dat laat zien. Er is hier geen galerie die hier een tentoonstelling geeft over Bacon, Hirst of Kiefer. Ik denk dat ook Nederlandse galeries deze kunstenaars wel kunnen krijgen. Het is een kip en ei verhaal. De galerist zal zeggen: er is hier geen markt voor. Te veel geld, te moeilijk. En die galerist wordt dan boos als een kunstenaar, mede door zijn toedoen stijgt en zijn toevlucht zoekt bij een belangrijke buitenlandse galerist. Dat komt gewoon omdat ie de markt daarvoor niet aanboort. Nederland is in principe een grote handelsmarkt. Wij weten al van voor de zeventiende eeuw dat je met je waar niet alleen in Nederland moet blijven. Maar wat zie je: de galerist hier blijft alleen in Amsterdam of Rotterdam. In België begrijpen ze dat vaak beter. Maar ik moet toegeven: de markt is er ook wel meer.’
De kunstenaar
‘De galerist is net als de kledingverkoopster die zegt dat het mooi staat. Dat maak ik zelf wel uit. De kunstenaar is mijn ideale gesprekspartner. Hij of zij zijn vaak zo eigenwijs dat ze daar boven staan. Een kunstenaar is redelijk echt, puurder dan de gemiddelde mensen in de samenleving. Daarom vind ik een atelierbezoek ook zo leuk. Dat deed ik vroeger al veel en dat doe ik nu nog steeds. Ik kende Jan Schoonhoven persoonlijk, maar ook kunstenaars als Ad Dekkers en Armando. Veel leuker dan beurzen, galeries en veilingen. Hij of zij kan er iets over vertellen, je krijgt een gevoel van de leefomgeving, van wat ze denken en hoe het met hun kinderen gaat. Vaak kijkt de kunstenaar op een andere manier naar de werkelijkheid dan de zakenman. Alhoewel, als je naar Damien Hirst kijkt (haha). Kort geleden heeft Hirst voor mijn vrouw en mij gekookt. Een aangename man. Hirst is een echte kunstenaar en zeker ook geen domme zakenman! Hirst snapt heel goed hoe de commerciële wereld van de kunst in elkaar zit. Dat kan ik niet echt erg vinden hoor. Ook dat is een vorm van kunst. Dat is wat ik ook een beetje kan. Ik hou van de filosofische gesprekken met de kunstenaars. Het is een andere wereld dan de wereld waar ik normaal in verblijf. Daarin is het een compensatie. Het is een andere wereld dan die van het rekenen, zaken doen en bezig zijn met chemische formules, verbindingen bedenken of fabrieken bouwen. Ik heb er zelf ook van geleerd dat je zakelijk anders kan denken dan de kaarsrechte lijn. Je leert erachter kijken, eromheen. Kunstenaars doen dat. Ze zijn zich niet bewust van dat ze zo kijken. Ik merk dat mijn rechtlijnigheid daardoor gecorrigeerd wordt – soms. Een van de kenmerken van een kunstenaar is dat hij of zij iets ziet op een manier en moment waarop anderen er nog niet tegenaan kunnen kijken. Later kan ik ook iets vinden, maar dan heb ik het al gezien. In mijn jonge jaren kocht ik Schoonhovens voor honderd tot honderdvijftig gulden. Niemand zag nog wat we nu in zijn werken zien. Dan zeggen mensen: dat kan ik ook. Maar probeer maar eens een Mondriaan na te maken. Ik heb dat eens gedaan voor een surprise en dat viel niet mee! En ik kan nog redelijk tekenen.’
Beslissen
‘Ik kan mij niet herinneren dat ik ooit weleens wakker heb gelegen van een aankoop. Misschien de keer dat ik voor de Henry Moore’s nachts heb moeten bieden voor een veiling in New York. Verder slaap ik prima. Ik hebben een neiging tot beslissen. Ik ben daarin redelijk intuïtief. Tegenwoordig neem ik enige tijd om te beslissen. En ja, welke criteria? Een goed kunstwerk moet een zekere emotie oproepen, het moet iets met je doen. Dat kunnen vele emoties zijn. Dat kan een schoonheid zijn of een potsierlijke lelijkheid. Als het maar iets met je doet. Overweldigend tot prachtig vanwege de ingetogenheid en de kleinheid. De kunstenaars van de nulbeweging hebben nooit gezegd dat ze van de emotie weg willen. Ze willen het alleen naar niets terugbrengen. Iets zo totaal anders doen dan daarvoor gebeurd is. Terug naar de meest eenvoudige vorm. En dat roept iets op. Ik heb een mathematische geest en bij het zien van een Schoonhoven word ik dan ook heel vrolijk. Ze hangen niet voor niks in mijn werkkamer. De orde, het lichtspel. Als de zon anders schijnt, dan werkt het werk ook anders. Ik ben er vaak vroeg bij. Bij Schoonhoven bijvoorbeeld en bij Hirst. Begin negentiger jaren kocht ik al werken van Hirst, potten met organen op sterk water, in 1992 was dat. Dat kostte ook niet veel. Ik blijf niet altijd kopen van kunstenaars waar ik werk van aangeschaft heb, maar ik verkoop nooit wat. Ik handel niet. Dat doe ik in iets anders. Het woord ‘spijt’ past ook niet echt in mijn vocabulaire. Je doet dingen, en soms is dat verkeerd en daar leer je dan weer van. En dan doe je het nog een keer verkeerd en op een keer weet je het dan. Je moet dingen doen, beslissen en vroegtijdig beslissen dat je het eventueel niet goed beslist hebt. Ook ik word beïnvloed door de boze buitenwereld. Dat je iets ziet naderhand en dat je merkt dat je iets gemist hebt. Soms twintig jaar na dato. Dat zij dan zo.’
