Schermafbeelding 2021-09-02 om 09.10.35.png
Schermafbeelding 2021-09-02 om 09.10.54.png
Schermafbeelding 2021-09-01 om 13.30.43.png

Binnenkijken bij schilder Jasper Hagenaar in Utrecht

 

‘Een schilderij hoeft niet te lijken, je moet het geloven.’

 

Tijdens de afgelopen coronatijd was het stil in Utrecht. Niet in het klaslokaal waar de schilder Jasper Hagenaar aan de slag was.

 

Waarom zou een kunstenaar schilderen in deze tijd? ‘De schilder Lisa Milroy heeft mij op de Rijksakademie geleerd dat schilderen over schilderen kan gaan’, zo vertelt Jasper Hagenaar (44). ‘Het hoeft niet te lijken, maar je moet het geloven. Dat zit in de kwaststreek, de huid van het schilderij of in de inkadering. Ik leerde van haar dat een schilderij van dichtbij moet overtuigen maar op afstand ook nog steeds interessant moet zijn.’ De schilder loopt naar een klein werk van hemzelf waarbij hij wijst naar het licht van de ondergrond, een stuk dat is vrijgelaten, zoals bij een aquarel. ‘Het grappige is dat het van dichtbij niet klopt. Op afstand maakt het niet uit, zeker als het wel klopt op andere delen van het werk. Dat maakt het schilderij interessant en daarom laat ik het zo. Ergens gebeurt het in een werk en je wil de kijker altijd naar dat meest interessante deel van het werk leiden. Dat geeft de opening om er langer naar te kijken. Je gaat als beschouwer het werk geloven. Dat gebeurt ook als je op afstand kijkend denkt dat je naar een heel fijn geschilderd werk kijkt dat van dichtbij helemaal niet zo precies blijkt te zijn geschilderd.’

 

Klaslokaal

In het voormalige Montessorischoolgebouw leidt een monumentale trap naar de vroegere klaslokalen waar nu onder andere het atelier is gevestigd van de kunstenaar. De enorme ramen van het voormalige klaslokaal kijken uit op de achtertuinen van de chique panden aan de Utrechtse Maliebaan. Jasper Hagenaar zet koffie onder de vrolijke geluiden van vogeltjes buiten en de kinderopvang van binnen hetzelfde schoolgebouw. Gedurende de coronatijd, zo vertelt de kunstenaar, is hij hier in alle rust heel aandachtig bezig geweest met zijn overzichtsboek Souvenir met schilderijen die hij tussen 2012 en 2019 maakte, hij maakte er een werk voor de tentoonstelling Mirror Mirror bij Kunsthal Kade die op dit moment nog te zien is en het laatste jaar was hij druk met schilderijen voor een aanstaande tentoonstelling bij Centraal Museum en een tentoonstelling voor zijn galerie Althuis Hofland Fine Arts in Amsterdam. Aan de muur aan de ene kant hangt, bij wijze van opslag, de tentoonstelling die bij het Centraal Museum komt en op een grote tafel een maquette ervan. Drie zalen op schaal met glazen wandjes aan één zijde en aan de andere kant muurtjes waar de schilderijen op postzegelgrootte hangen.

‘Ik leerde van Lisa Milroy dat een schilderij van dichtbij moet overtuigen maar op afstand ook nog steeds interessant moet zijn.’
 

Aan de wand aan de andere kant van het schoollokaal hangen de schilderijen die bedoeld zijn voor de tentoonstelling voor zijn galerie. Hagenaar: ‘De twee series voor het museum en de galerie gaan eigenlijk over hetzelfde, over licht, over stemming en over inkadering, maar ik maakte ze geheel apart. Ze horen bij elkaar als geheel. Met het werk voor de galerie treed ik meer naar buiten, misschien meer passend bij deze tijd waarin we allemaal waren opgesloten. De sinaasappel in de boom was de eerste die ik maakte in deze serie. Maar met het beeld van de bladeren liep ik al een paar jaar geleden rond, vooral de abstractie in het herkenbare. De bloemen zijn echt nieuw en daar moet ik me dan ook opnieuw toe verhouden. Om te kijken of het ook echt werkt, hang ik de schilderijen naast elkaar zodat ik kan zien of ze dezelfde intensiteit hebben. Ik maak altijd een tentoonstelling als geheel en dat moet dan kloppen, ook al gaan de werken vervolgens een eigen leven leiden bij verschillende verzamelaars.’ 

 

Nieuwbouwwijk

Jasper Hagenaar deed eind jaren negentig de kunstacademie in Tilburg, een paar jaar daarna de Rijksakademie en weer een paar jaar later werd hij winnaar werd van de Koninklijke Prijs voor de Schilderkunst. Hij gaat op een krukje naast zijn ‘kijkstoel’ zitten, en begint te vertellen over zijn jaren ervoor. ‘Ik kom uit een dorpje vlakbij Tilburg. Mijn vader werkte bij een groot Amerikaans bedrijf en vloog de wereld over en mijn moeder was remedial teacher. Na het Gymnasium ging ik Geschiedenis studeren in Groningen. Ik had daar een romantisch beeld over van rond de wereld trekken op zoek naar mooie verhalen. Maar ik weet nog precies dat ik voor een mondeling tentamen over onderzoekstechniek door de gangen van het Harmoniegebouw liep en ik vanuit de gangen de kamers inkeek en allemaal academici achter eenzelfde tafeltje en eenzelfde computer zag zitten werken aan hun wetenschappelijke publicaties. Dat was dus de academische wereld en toen wist ik: dat wil ik dus niet. Vlak daarna ben ik gestopt en ben ik naar de kunstacademie gegaan.’

 

‘Ik werk als een aquarellist, dus van licht naar donker.’
 

De kunstenaar heeft een neiging in zijn werk te willen ontsnappen aan de aangeharkte wereld. Hagenaar: ‘In de laatste twintig jaar dat ik hier in Utrecht woon en werk ben ik heel veel mensen tegengekomen van mijn generatie die ergens in Nederland waren opgegroeid en heel vaak waren dat eenzelfde soort jaren zeventig nieuwwijk-omgevingen als waar ik vandaan kom. Ikzelf las Kuifje en keek naar Amerikaanse series en kende in die tijd het in films geportretteerde Amerika beter dan mijn eigen omgeving. Daar op mijn zolderkamer droomde ik mijn wereld bij elkaar die ik kende van Miami Vice en Indiana Jones. Dat is de basis van mijn werk geworden, de contradictie tussen die Vinex-wijken en de droomwereld die door Hollywood wordt opgeroepen. Ik had een blik op een wereld waarvan ik wist dat die niet echt is, een beetje zoals je een vakantie achteraf mooier herinnert. In het verleden werkte ik, vanuit een soort romantisch escapisme, veel met astronauten en cowboys zoals ik die kende uit speelfilms die ik als kind zag. Tegelijkertijd was ik als kind vaak meegesleurd naar musea waar ik geconfronteerd werd met modernistische kunst zoals in Kröller Muller het metalen beeld van een rennende figuur van Umberto Boccioni. Dat is in mijn geheugen geëtst als modernisme. Ook dat was iets wat ik destijds niet helemaal begreep maar waar door de tijd een zweem van nostalgie en melancholie omheen is ging hangen, net als ik voelde met de cowboys en astronauten.’

 

Aquarellist

Niets lijkt zoals het is bij het werk van Jasper Hagenaar. Hij schildert in olieverf, maar hij werkt anders: ‘Ik schilder meer als een aquarellist, dus van licht naar donker. Als ik te veel verf gebruikt, dan wordt het een brij. Maar door te werken als een aquarellist, komt het goed. Soms, als ik dan te ver ga en het toch een brij wordt, begin ik opnieuw met een wit vlak. Ik gebruik geen dekkende witten, maar werk vanuit transparante lagen waardoor ze door de stapeling intensiteit krijgen. Ik schilder op een poederige, witte krijtlaag waardoor je heel dun kan schilderen zonder dat de verf gaat lopen.’ Het lijkt dat hij schildert op paneel, maar ook dat is niet altijd zo. Bij nadere inspectie is te zien dat het papier met lijm op een paneel is geplakt. Dat is omdat het werk daardoor de gewenste zachte huid krijgt, zo legt de kunstenaar uit.

‘Dat is de basis van mijn werk geworden, de contradictie tussen die Vinex-wijken en de droomwereld die door Hollywood wordt opgeroepen.’

 

‘Op de Rijksakademie heb ik mijn weg gevonden. Ik dacht dat mijn werk ging over het schilderen van clichébeelden, van palmbomen en cowboys, maar toen kreeg ik onder andere in gesprekken met de kunstenaar Paul Perry het besef dat ik beelden en dromen was gaan schilderen van dingen die ik niet heb en er niet zijn. Heel lang heb ik dus dingen gemaakt die ik niet zelf heb meegemaakt. Dat verandert nu. Ik heb nu de neiging meer naar buiten te gaan. Met Anton Henning ben ik naar Berlijn, New York, Madrid en Wenen gereisd waar ik werd geconfronteerd met het werk van grote namen uit de kunstgeschiedenis, met de kunstscene van onze tijd en met de natuur. Dat heeft mij materiaal gegeven waar ik jaren mee voort kan.’ Naast de kunstenaars die hij tegenkwam tijdens zijn reizen, werd hij gevraagd om op het werk van kunstenaars voor hem te reflecteren. Hagenaar: ‘Bij de transhistorische tentoonstelling in 2018 voor het Frans Hals Museum, Rendez-Vous met Frans Hals, was het de bedoeling dat ik iets deed met Frans Hals. De uitdaging van zo’n tentoonstelling is niet dat je een soort kopie of afgeleide maakt van het werk, maar dat allebei de werken in zeggingskracht worden versterkt. Mijn manier van werken paste eigenlijk meer bij de meer ingetogen werken van Heda of Verspronck dan bij het zwierige en extroverte van Hals. Maar bij het zien van zijn Feestmaal van officieren van de Cluveniersschutterij uit 1627 heb ik de compositie en kleur aangegrepen en bij het nader bestuderen van het werk zag ik midden in het schilderij een soort gat dat ik in mijn compositie in het centrum ben gaan plaatsen. Nu kan ik het werk van Hals niet meer anders zien.’

 

‘Ergens gebeurt het en de kijker wil altijd naar dat meest interessante deel van het werk kijken.’

Nu voor de tentoonstelling in het Centraal Museum heeft de kunstenaar zich laten inspireren door de digitale collectie van het Utrechtse museum. ‘Het zijn romantische schilderijen geworden over het modernisme van half twintigste eeuw, over het werk van de kunstenaars Andor Weiniger en Jo Uiterwaal, kunstenaars de meeste mensen niet kennen. Mijn schilderijen gebaseerd op hun werk ogen abstract maar zijn feitelijk heel figuratief. Het zijn vormen die ik zelf opnieuw heb gemaakt en vervolgens heb nageschilderd. Ik ben daarbij weer op zoek gegaan naar herinneringen, naar atmosfeer, licht en stemming, naar melancholie en nostalgie. Ik heb hun werk puur op zicht uitgekozen. Wat mooi is, is dat ik niet alleen geïnspireerd wordt door dat werk, maar dat ook geweldige werken die al jaren in depots staan zo aandacht kunnen krijgen. Het is zoals ik een keer zei tegen Bart Rutten van het Centraal Museum, dat je natuurlijk het liefst hebt dat een museum je werk aankoopt, maar dat de kans dat je werk echt wordt gezien soms groter is als particulieren het kopen voor hun huis.’