In de reeks Passie voor kunst van Koos de Wilt

‘Het moet me verbazen’

Schrijfster en schilder Marion Bloem over hoe kunst haar werk en leven beïnvloedt

Ik heb altijd gemaakt wat ik zelf zou willen lezen of zien en ben steeds minder bezig met of het nu wel of niet gepubliceerd wordt. Het maken van beeldende kunst en schrijven is tegengesteld. Visueel uitdrukken gaat vooraf aan de woorden; als je visueel bezig bent, denk je veel meer vanuit beeld, vorm en compositie. Aan schrijven gaat een verwerkingsproces vooraf. Elk creatief product is een afspiegeling van een onderdeel van jezelf, ook al probeer je dat te verdoezelen. Mensen die zeggen niet autobiografisch te schrijven zijn misschien wel meer autobiografisch bezig dan mensen die dat bewust wél doen. Bij zowel beeldend als verbaal bezig zijn krijg je het mooiste resultaat als je vanuit je buik werkt, als iets per ongeluk uit je onderbewustzijn komt. Niet als je per se wilt, want dan is het vaak te geforceerd. Dus is het zaak om niet alles te goed te willen begrijpen. Je moet de dingen juist behoorlijk in te war gooien, dus expres ervaringen opzoeken die je nog niet onder de knie hebt, die vervreemdend zijn.

Als je een verhaal wilt schrijven en je wilt dat goed doen, dan moet er eerst een verwerkingsproces zijn geweest van dingen die je hebt meegemaakt, pas dan kun je de kleppen opengooien van het onderbewustzijn. Je hebt dan een soort structuur in je hoofd en daarna kun je het laten komen.

Wel of geen structuur

Naast schrijven schilder ik, maak ik mozaïeken en objecten en ontwikkel ik digitale kunstprojecten. Als ik schilder begin ik zonder plan. Maar bij de etstechniek moet je van tevoren precies weten wat je eindproduct is. Bij het etsen ben ik het me met opzet veel moeilijker gaan maken, omdat ik niet alles precies van tevoren wilde weten. Hoge oplagen waren er bij mij niet bij. De kunst van de herhaling bekoort mij niet. Bij schrijven heb ik van tevoren een structuur bedacht en weet ik waar het verhaal ongeveer naartoe moet en welk ritme het moet hebben. Maar als ik precies weet waar het naartoe gaat, is het plezier weg. Daarom ging Bacon sponsen gooien naar zijn werk om zichzelf te verrassen. Ik herken dat. Het is irritant om precies te maken wat je in je hoofd hebt. Het gaat om het proces en daarom maak ik het mezelf onderweg moeilijk. Het moet me verrassen. Ik houd van kneden en van confrontatie, ook met mezelf.

 

'Het is zaak om niet alles te goed te willen begrijpen. Je moet de dingen juist behoorlijk in te war gooien, dus expres ervaringen opzoeken die je nog niet onder de knie hebt, die vervreemdend zijn.'

Als kind schreef ik zonder nadenken. Daarna ging ik de dingen omzetten en kneden, schaven, herlezen, weer componeren. Er ontstaat dan ruimte voor spontane invallen die uit je onderbewustzijn opduiken. Zo werk ik nog steeds bij poëzie. Scenarioschrijven is veel mathematischer. Maar als je het goed doet en je structuur staat als een huis, dan kun je zelfs bij scriptschrijven openstaan voor wat zich aan je opdringt en wat niet goed te beredeneren is, maar gewoon goed voelt en volgens je intuïtie in je verhaal moet, ook al lijkt het geen functie te hebben.

 

Elke schrijver heeft dingen die in het verhaal sluipen waar hij geen controle over heeft. Die dingen hebben ogenschijnlijk geen functie voor het verhaal, maar bepalen wel de eigenheid van de maker. Willem Frederik Hermans heeft het in een van zijn essays over witte paters die voor de compositie van het verhaal of de film niet ter zake doen en er toch in terechtkomen. Hij verfoeit de witte paters. Ik ben het met hem eens, maar ben ervan overtuigd dat het goed is om de sluizen open te houden voor opwellingen vanuit het onderbewuste.

Prikkelen en uitdagen, verbazen en verrassen

Twijfels of je wel genoeg in huis hebt, of het wel zinvol is, heb ik vaker wel dan niet. Elke kunstenaar heeft momenten — en soms is dat wel negentig procent van de tijd — dat hij zich afvraagt: ‘Wat heb ik te vertellen?’ Maar tijdens het werkproces moet je in een flow blijven en mag je niet twijfelen, terwijl je tussen de processen juist moet twijfelen om kritisch te kunnen zijn. Sommigen kijken naar schilderijen om daarin een harmonie te vinden die ze in hun eigen bestaan niet hebben. Anderen willen geprikkeld en uitgedaagd worden. Dat laatste wil ik ook.

'Willem Frederik Hermans heeft het in een van zijn essays over witte paters die voor de compositie van het verhaal of de film niet ter zake doen en er toch in terechtkomen. Hij verfoeit de witte paters.'

Kunst moet mij verbazen en niet alleen ontspannen. Het moet iets teweegbrengen. Ook bij het schrijven wil ik de lezer prikkelen. Bij conceptuele kunst ging het alleen maar om het verbazen en verrassen. Dat was een interessante fase in de kunstgeschiedenis, maar biedt mij te weinig. Het was het denkwerk waar je mensen mee aan het denken probeerde te zetten. Ik ben niet zo’n voorstander van de gedachte dat de idee alles kon overnemen. Conceptuele kunst was een teken van de tijd, een reactie die logisch voortkwam uit de jaren zestig – een tijd van afzetten tegen een andere generatie, tegen hokjesgeest en tegen de burgerij, een tijd van migratie en van grote veranderingen in de samenleving. Maar juist in dat spanningsveld van wederzijdse beïnvloeding ontstaat kunst. Wat ik nou zo interessant vind aan die wederzijdse beïnvloeding is als mensen daarin hun eigen weg gaan en iets doen wat niet is opgedragen of aangemoedigd door een of andere museumdirecteur.

Expressie van het onuitspreekbare

Wat mij stoort is dat in het Westen niet geaccepteerd wordt dat in Afrikaanse of Aziatische kunst westerse invloeden binnensluipen. Dat wordt dan gezien als na-aperij, als primitief of botweg als allesbehalve kunst. Terwijl het omgedraaid wel allemaal kan, dus dat een Picasso of Lucebert zich liet beïnvloeden door Afrikaanse kunst.

Toen ik begin jaren tachtig op Borneo was en tatoeages op de lichamen zag, zag je dat er allemaal westerse invloeden in doordrongen. Met tatoeages bewijzen mannen hun mannelijkheid. Als je er goed naar kijkt, zie je dat tatoeagekunst helemaal niet zo statisch is als we vaak denken. Je ziet er allerlei subtiele verschillen in, modeverschijnselen ook. Je ziet dan dat iemand over zijn borst een vliegtuig met de tekst Malaysian Airlines heeft laten tatoeëren en dat er cassettebandjes en plastic bekertjes in hoofdtooien zijn verwerkt. Kunst ontwikkelt zich juist door ontmoetingen tussen culturen of door grote technologische ontwikkelingen die de samenleving voortstuwen, want dan wordt de kunst ook uitgedaagd.

In het Westen zijn we vertederd door traditionele niet-westerse kunst die wordt geëvalueerd op basis van authenticiteit, dus op de statische kant ervan, terwijl aan de andere kant de westerse kunst voortdurend moet veranderen. In het kunstonderwijs wordt er gehamerd op originaliteit. Dat is nogal een opgave in een tijd van globalisering, internet en digitale communicatie. Kunst is voor sommigen alleen nog maar het uit de context halen van een object, wezen, of ervaring. Niet meer de expressie van het onuitspreekbare, zoals ik het zelf zie. We zijn gewoon mens en we willen allemaal hetzelfde.

'In het kunstonderwijs wordt er gehamerd op originaliteit. Dat is nogal een opgave in een tijd van globalisering, internet en digitale communicatie. Kunst is voor sommigen alleen nog maar het uit de context halen van een object, wezen, of ervaring. Niet meer de expressie van het onuitspreekbare, zoals ik het zelf zie.'

Ik heb uit verschillende culturen dingen meegekregen en ben om die reden gespitst op alles wat met die ontmoetingen tussen culturen gepaard gaat. Mijn boek Muggen mensen olifanten uit 1995 is een verzameling van observaties van de veranderende samenleving over de hele wereld. Modewoorden als globalisering en globalisatie komen er niet in voor, maar het boek gaat daar wel over. In de pers werd het hooguit als een reisverhalenboek gerecenseerd ondanks zeer expliciete teksten over de gevolgen van dekolonisatie, migratie en de ontwikkeling van technologie waardoor de wereld aan sterke veranderingen onderhevig is. Misschien kwam het boek te vroeg, want timing, daar gaat het om, ook in de kunst en in de literatuur.

Macht en onmacht

Mensen hebben een sterkte behoefte om hun cultuurgoed te bewaren. Je ziet dat ook in Nederland met betrekking tot de literatuur. Ze nemen dan alleen die literatuur serieus die ze als typisch Nederlands ervaren, de rest wordt op een hoopje ‘anders’ gegooid. Het is een triest besef, maar dat heeft uiteindelijk allemaal te maken met macht. De macht van de dominante samenleving. Waar macht is, is tegelijkertijd onmacht. Als je opgroeit in een samenleving waar je behoort tot de machtelozen en je bent een uitzondering in de groep, want je hebt de mazzel dat je makkelijk kunt leren, dan heb je erg goed in de gaten welke mensen juist niet in die bevoorrechte positie zijn gekomen. Dat is onmacht. Dat je dat ziet, maar er niets aan kunt doen.

In mijn geval heb ik daardoor een empathisch vermogen ontwikkeld, wat natuurlijk ook een empathisch onvermogen is. Ik leef met een continu besef dat ik geluk heb gehad, omdat je ziet hoe anders het is gelopen bij anderen. Ik denk dat ik daardoor schrijver ben geworden. Je komt dan op een plek waar je niet meer handelt, maar observeert. Als je serieus genomen wilt worden op intellectueel, cultureel gebied dan is het een nadeel wanneer je er als vrouw jong en aardig uitziet. Je kunt beter grijs zijn en met een stok lopen. Als je dan ook nog eens niet behoort tot de dominante cultuur, dan is dat nóg een nadeel.

Het eerste dat mensen zien is het uiterlijk. Ik zie er nog steeds uit als een Indische vrouw, en ik word dus volgens dat stereotiep ook bekeken en beoordeeld. Dat is iets dat ik, weliswaar met tegenzin, aanvaard als een gevolg van de kolonisatie, want de dekolonisatie is nog volop aan de gang, we zijn er nog niet echt van bevrijd. Evenmin dat de wereld van de literatuur, kunst en film al echt geëmancipeerd is. De kunstwereld blijft toch wel erg bepaald door mannen, alhoewel het stikt van de grote vrouwelijke kunstenaars, schrijvers en filmmakers. Een Marlene Dumas die als kunstenaar veel waardering geniet wordt meteen doelwit als ze een experiment aangaat op gebied van seksualiteit en kunst. Iedereen staat klaar om op haar in te hakken. Terwijl een kunstenaar risico’s moet durven lopen, nieuwe wegen in durven slaan.

'Iedereen vecht met zijn eigen demonen, met dingen die je van jezelf niet begrijpt. Ik heb wat alle moeilijke mensen hebben, namelijk het geen controle hebben over die demonen. Je moet werken, anders ben je niet gelukkig en word je onuitstaanbaar voor je omgeving.'

Als je waardering wilt moet je je niet met kunst bezighouden. Ik had op mijn vierentwintigste een aanbod om te promoveren op een heel belangrijk onderwerp — daar had ik niet eens veel voor hoeven te doen omdat ik er al middenin zat — maar ik koos ervoor om niet de wetenschappelijke wereld in te gaan. Als ik dat wel gedaan zou hebben, zou ik minder kwetsbaar zijn geweest. Ik kan niet altijd meer tegen die kwetsbaarheid, omdat je als kunstenaar altijd jezelf als materiaal inzet, en niet de objectieve feiten, de te controleren uitslagen van een methodologisch verantwoord onderzoek.

 

Wat we niet zien

Ik voel me verwant met Lucebert. Ik denk dat hij, hoewel hij daarin veel beter was dan ik ooit zal zijn, hetzelfde probeerde uit te drukken wat ik ook probeer uit te drukken: de demonen, datgene wat we niet zien tussen ons in. Onze kronkels, wat ons drijft, wat ons blokkeert. Iedereen vecht met zijn eigen demonen, met dingen die je van jezelf niet begrijpt. Ik heb wat alle moeilijke mensen hebben, namelijk het geen controle hebben over die demonen. Je moet werken, anders ben je niet gelukkig en word je onuitstaanbaar voor je omgeving.

Het meest ben ik, wat kunst en poëzie betreft, beïnvloed door Jean Cocteau. In vergelijking met Cocteau was Lucebert rationeler, vaak uitdrukkelijk en uitleggerig bijna. Op mijn vijftiende kreeg ik een boekje van hem in handen dat hij waarschijnlijk gemaakt heeft toen hij van de opium probeerde af te komen. Wat ik in het boekje zag, was voor mezelf heel bevrijdend. Cocteau was duidelijk ook met demonen aan het vechten. Ik zag toen dat ik niet hoefde te maken wat mijn leraar mooi vond. Ik mocht maken wat ik wilde.

Geen kunst, maar spelen

Ik herinner me dat ik in de tweede klas een boom moest tekenen, ik was toen zeven. In de tuin van onze school stond een boom met heel kleine blaadjes en ik weet nog dat ik niet wist wat ik daar nou mee moest doen. Als ik gewoon een boom uit mijn hoofd had getekend, was er niks aan de hand geweest, maar toen zag ik al die blaadjes en al die vertakkingen en toen wist ik het gewoon niet meer. Ik ben toen net als de andere kinderen op een stoel gaan staan om de boom beter te kunnen zien, werd gestraft en moest de boom thuis tekenen.

'Voor mijn vader was dat allemaal geen kunst, maar gewoon een kwestie van spelen. Hij was altijd aan het spelen en wij mochten ook altijd spelen.'

Mijn vader tekende Indonesische landschappen. Zo’n perspectieftekening van rijstvelden met vulkanen aan de horizon, en ergens in dat landschap een palmboompje met kokosnoten maakte ik dus ook. De lerares geloofde niet dat ik dat zelf getekend had, bovendien zag ze er ook geen boom in, en ik kreeg een onvoldoende. Ik dacht toen dat ik niet kon tekenen en ben ook maar tekeningen gaan maken zoals de andere kinderen. Die poppetjes met harken als handen. Ik wilde geen buil meer vallen. Het was verwarrend, omdat mijn ouders trots waren op mij en die tekening. En die trots bleek in de ogen van anderen onterecht te zijn.

Hoewel mijn vader in het leger heeft gezeten, is hij eigenlijk altijd heel kunstzinnig geweest. We hadden geen geld voor een muziekinstrument, dus maakte hij van een kist een basgitaar waar ik op kon spelen. En die deed het fantastisch. Voor mijn vader was dat allemaal geen kunst, maar gewoon een kwestie van spelen. Hij was altijd aan het spelen en wij mochten ook altijd spelen.

‘Het is zaak om niet alles te goed te willen begrijpen. Je moet de dingen juist behoorlijk in te war gooien, dus expres ervaringen opzoeken die je nog niet onder de knie hebt, die vervreemdend zijn.’ Koos de Wilt voor Passie voor Kunst (2003)

Foto: Yvette Zellerer

voor boek Passie voor Kunst

CV

Marion Bloem, in 1952 als kind van Indische ouders in Nederland geboren, studeerde in 1977 af als klinisch psychologe te Utrecht, maar ging vervolgens toch liever korte speelfilms maken en boeken schrijven. In 1983 werd zij bekend met haar romandebuut Geen gewoon Indisch meisje en haar lange documentaire Het land van mijn ouders. Vervolgens publiceerde zij een zestal kinderboeken, een tiental romans, en enkele poëziebundels. Ook maakte zij een aantal televisieprogramma’s, zoals Cursus voor beginners in de liefde en het satirische programma Screentest. Marion Bloem exposeert regelmatig haar schilderijen en objecten.

PASSIE VOOR KUNST

31 PROMINENTE NEDERLANDERS OVER HUN KUNSTSMAAK

 

Voor het boek ‘Passie voor kunst’ en het AVRO-televisieprogramma ‘Liefhebbers’ interviewde Koos de Wilt prominente Nederlanders uit de wetenschap, politiek, het bedrijfsleven over de kunst.

  • Facebook - Grey Circle
  • LinkedIn - Grey Circle
  • Twitter - Grey Circle
  • Instagram - Grey Circle