Anders dan mijn vader

Vier kinderen van captains of industry vertellen hun verhaal

 

Hun vader was captain of industry. Maar zij wisten dat zij iets anders wilden. Interviews met de kinderen van Aad Jacobs (ex-voorzitter RvB ING), Jan Michiel Hessels (ex-topman Vendex), Onno Ruding (ex-topman Citibank) en Mickey Huibregstsen (ex-topman McKinsey) 

 

[2011] 

 

Koos de Wilt voor Het Financieele Dagblad

Vader: ‘Je moet het uiteindelijk zelf doen’

Barbara Ruding, dochter van ex-minister Financiën en ex-Citibank topman Onno Ruding:

‘Mijn vader steunde mijn plan om geschiedenis te te studeren; het “andere” spreekt hem aan.’

 

Mijn vader vindt het altijd interessant als mijn broer of ik iets leren of doen wat hij zelf niet kent of kan. Spaans lerenbijvoorbeeld, een taal waarin ik eindexamen deed. Dat vond hij geweldig! Hij steunde ook mijn plan om geschiedenis te gaan studeren. Het ‘andere’ spreekt hem aan. Misschien wel omdat hij zelf ook iets anders deed dan zijn eigen vader, die chirurg was. Al toen ik jong was, had mijn vader het druk en was hij veel weg. Op mijn vierde werd hij bewindvoerder bij het Internationaal Monetair Fonds in Washington DC. Op mijn achtste, toen ons gezin weer terugkeerde naar Nederland, werd hij eerst lid van de raad van bestuur van de Amro Bank, om daarna minister van Financiën te worden in de kabinetten-Lubbers 1 en 2. Het was de tijd van grote bezuinigingen en als minister voerde hij een strak bezuinigingsbeleid. Mensen noemden hem wel een kille financier, iemand die naar cijfers kijkt om de economie weer gezond te maken. Die klus paste wel bij hem. Het is een man van hard werken, van afspraak is afspraak en van uitkomen voor je principes en je niet verschuilen achter anderen. Je moet het zelf doen, zelf je eigen kansen creëren en grijpen.

Tijdens mijn MBA in Barcelona heb ik veel businesscases die gingen over de keerzijde van nog meer winst maken, van nog meer groei.

Het was dan ook niet vreemd dat ik op mijn 15de al het huis uit ging en op mijn 17de vier maanden vrijwilligerswerk in India ben gaan doen. De laatste twee jaren van mijn vaders ministerschap bracht ik mijn middelbareschooltijd door op het United World College of the Atlantic in Wales, een idealistische school waar gemotiveerde jongeren uit de hele wereld ongeacht hun achtergrond met een studiebeurs naartoe gaan. Dat gold ook voor mij. Ik was daar toen in november 1989 de Berlijnse muur viel. Een historisch moment, niet alleen voor de wereld, maar ook voor mij persoonlijk. Leerlingen uit Oosten West-Duitsland vielen elkaar in de armen en de dag erna bespraken we in de klas wat dit allemaal kon betekenen voor de wereld. Met de kerstvakantie, mijn vader was net minister af, zijn we met het gezin naar Berlijn gereden om het mee te maken. De val van het communisme. Op de muur staan en drie dagen lang een soort gespiegeld programma doen. In de ochtend in Oost-Berlijn naar een museum en een winkel en in de middag in West-Berlijn. Deze ervaring was voor mij de aanleiding om geschiedenis te gaan doen en uiteindelijk af te studeren op de Oost-Europese geschiedenis.

Ik geniet heel erg van de inhoudelijke gedrevenheid van mijn collega’s in de museumwereld.

Mijn ouders woonden in New York toen ik in Groningen studeerde, en ook toen ik daarna het bedrijfsleven inging. Eerst bij het mediabedrijf VNU, daarna behaalde ik mijn MBA in Barcelona om vervolgens bij Nestlé aan de slag tegaan, category management in de babyvoeding en daarna in ijsjes. Het was een geweldige leerschool maar ik merkte ook dat ik er eigenlijk vooral met mijn hoofd werkte, niet met mijn hart. Daarom heb ik vier jaar geleden de overstap gemaakt naar de non profitcultuursector. In het bedrijfsleven vind je veel gedrevenheid, maar die is vooral financieel. Daar gaat het niet alleen over. Ik geniet heel erg van de inhoudelijke gedrevenheid van mijn collega’s in de museumwereld. Tijdens de lunch gaat het eerder over naar welke tentoonstelling je bent geweest dan over de nieuwste leaseauto. Toen mijn vader daar in het financiële hart van de wereld zat, had ik tijdens mijn MBA in Barcelona veel businesscases die gingen over de keerzijde van nog meer winst maken, van nog meer groei. De gedachte van shareholdervalue werd in perspectief geplaatst. Het gaat ook om de lange termijn, om mensen en hun cultuur. Deze gedachten komen voor mij samen in de culturele wereld en mijn werk bij Het Scheepvaartmuseum in Amsterdam.

Mijn vader is voorzitter van de raad van toezicht van Museum Paleis Het Loo en met hem heb ik het daar dan over. We hebben samen gezien hoe de culturele sector werkt in de VS. Daar draaien musea op de steun van particulieren. Het is er een combinatie van ondernemerschap en maatschappelijke verantwoordelijkheid. Dat spreekt ons beiden aan en het is nu ook actueel in Nederland. Het gaat hier wel om een gezonde mix van overheid, fondsen, bedrijven en particulieren. Ik voel me prettig in dit spanningsveld. Ik werf fondsen bij particulieren voor de renovatie van Het Scheepvaartmuseum. Dat voor elkaar krijgen is een proces van een aantal jaar. Je merkt steeds meer dat particulieren bereid zijn hun steentje bij te dragen — het Concertgebouw bijvoorbeeld is zo eind 19de eeuw ontstaan. Maar het cultuurmecenaat moet in onze tijd opnieuw worden ontwikkeld. Fantastisch om daaraan mee te werken.

Vader: ‘Je niet beter voordoen dan je bent’

 

René Jacobs, zoon van ex-voorzitter RvB ING:

‘Kunstenaar zijn is een kommervol bestaan. Ik hoop dat ik twee accountants op de wereld heb gezet, dan hoef ik mij de rest van mijn leven geen zorgen meer te maken.’

Gisteren kwamen mijn ouders bij ons eten en vertelde mijn vader trots dat hij vier flessen Lafite Rothshild, die hij ooit had gekregen, via internet had verkocht voor €1300. Voor het etentje had hij twee flessen van de Sligro van €2,95 meegenomen. Ik had zelf een fles van 12 Euro gekocht, voor mij al een flinke uitgave. ‘Maar pa’, lachte ik, ‘die dure wijn hadden we nu lekker kunnen opdrinken.’ Waarop hij zei: ‘Een fles van honderden euro’s ben ik helemaal niet waard.’ Dat is mijn vader ten voeten uit. In de huidige financiële wereld had hij helemaal niet gepast. Het eerste wat hij deed toen hij bestuursvoorzitter van ING werd, was zijn eigen salaris aan banden leggen. Die houding heb ik van huis uit meegekregen, je niet beter voordoen dan je bent. Van mijn vader werd eens gezegd dat hij het charisma had van een Belgische postbode. Dat herken ik. Toen ik mij bij de Kamer van Koophandel als galeriehouder kwam melden, zei de ambtenaar: ‘Oh, ik dacht dat u zich als accountant kwam inschrijven.’

 

Kunstenaar zijn is geen vetpot. Maar ik heb ook niet veel nodig. Net als mijn vader.

Ik had eigenlijk schrijver willen worden, maar daar had ik te weinig talent voor. Ik weet nog dat mijn vader tijdens een vakantie zei: ‘Gedichten schrijven jongen, daar kun je je brood niet mee verdienen. Als je iets kiest, moet er wel enig economisch perspectief zijn.’ Een logische reactie van een bankier. Dat heeft ook meegespeeld bij de keuze om economie te gaan studeren aan de Erasmus Universiteit. Maar ik ben halverwege gestopt. Wiskunde en statistiek vond ik ontzettend leuk, maar de hele studentenwereld stootte me enorm af. Iedereen zag er hetzelfde uit. Mijn ouders waren daar niet blij mee, maar ze begrepen het wel. Na een paar baantjes ben ik bij P&O Nedlloyd beland, waar ik als eerste baan letterlijk uit een stapel papier van een meter hoog moest zoeken naar rekeningen van dezelfde klant, die ik dan kon crediteren. Klinkt misschien gek, maar ik vond dat heerlijk werk! Ik hou van het monotone precieze werk, werken met cijfertjes.

 

Op mijn 28ste werd ik senior managementaccountant. Voor het eerst in mijn leven liep het als een trein. Alleen mijn hart lag er niet. Dat bleek ook uit een test die het management mij had laten afnemen. Daar kwam uit dat een creatief beroep en zelfstandig ondernemer zijn mij beter zouden liggen. Het was geen verrassing. Naast mijn baan had ik al een carrière als kunstenaar en ik verkocht zelfs al wat. En toen gebeurde er ineens een paar dingen tegelijk. We reden terug van het ziekenhuis, waar we net gehoord hadden dat mijn vrouw in verwachting was van een tweeling en zetten BNR aan voor wat afleiding. Op de radio hoorden we dat het bedrijf waar wij beiden werkten, verkocht was en dat onze banen zouden verdwijnen. Waren we op de heenweg nog dinky’s, op de terugweg waren we plotseling double kids, no income.

 

Als je een kind hebt dat alle schepen achter zich wil verbranden om de beeldende kunst in te gaan, moet je daar als ouders toch eens mee gaan praten.


Met de ontslagpremie begon ik mijn eigen galerie. Een droom ging in vervulling. Mijn vader vond dat denk ik zorgelijk. Mijn broer is na een dubbele studie neuroloog geworden, en mijn zus heeft nu een mooie baan bij ING. Soms denk ik wel eens dat mijn ouders twee van de drie een goede score vinden. Ik zou hen daar ook geen ongelijk in geven, ha ha. Als je een kind hebt dat alle schepen achter zich wil verbranden om de beeldende kunst in te gaan, moet je daar als ouders toch eens mee gaan praten. Gelukkig weet ik dat ze op mij net zo trots zijn. De zorgen zijn wel gebleven. Toen ik mijn vader laatst na lange tijd weer eens aan de lijn had en hem vroeg hoe het ging, was het even stil. Hij zei: ‘Hoezo, zit je in de problemen?’ Daar moest ik vreselijk om lachen. Kunstenaar zijn is geen vetpot. Maar ik heb ook niet veel nodig. Net als mijn vader. Tot aan zijn pensionering als voorzitter van de raad van bestuur is hij in een rijtjeshuis blijven wonen en rijdt hij in een eenvoudige Toyota. Maar ik herken zijn zorgen. Ik grap wel eens dat ik hoop dat ik twee accountants op de wereld heb gezet, dan hoef ik mij voor de rest van mijn leven geen zorgen meer te maken.

Vader: ‘Een vliegende kraai vangt altijd wat'

Pieter Hessels, zoon van ex-Vendex topman Jan Michiel Hessels:

‘Ze hadden ook kunnen zeggen: ga jij maar lekker een baan zoeken in de juristerij’

 

Op zijn 32ste kreeg mijn vader een baan als manager voor Akzo in São Paulo in Brazilië en later in North-Carolina in de VS. Ik herinner mij een fijn expat-bestaan, steeds in een fantastische natuur. Ik maakte terraria van kikkers en slangen en zette in het klein de natuur naar mijn hand. Op vakanties sleepten mijn ouders ons altijd mee naar kerken en musea. ‘You’ll thank us later’, zeiden ze dan. En ook thuis lag er altijd wel een tuinarchitectuurboek op tafel. Daar bladerde ik dan in als ik thuiskwam van school. Maar om daar een carrière van te maken, dat kwam toen niet in mij op.

‘Ga maar rechten studeren. Dat heb ik ook gedaan’, zei mijn vader. ‘Daar leer je helder van nadenken.’

Op mijn 12de kwamen wij terug naar Nederland en ging ik met mijn Amerikaanse accent naar de middelbare school in Wassenaar. Een paar jaar later, mijn vader was toen voorzitter van Vendex, moest ik zelf ook eens gaan nadenken over wat ik later wilde worden. Ik had geen idee. ‘Ga maar rechten studeren. Dat heb ik ook gedaan’, zei mijn vader. ‘Daar leer je helder van nadenken.’ Dat ben ik gaan doen, bij gebrek aan beter. Toen ik later in mijn studie in Barcelona een uitwisselingsprogramma deed, kwam ik erachter dat alle rechtencolleges alleen in het Catalaans werden gegeven. Ik heb mij toen bij de Kunstacademie ingeschreven en geregeld dat ik daarvoor ook mijn studiepunten kon opvoeren. Het was een heel andere wereld dan het corpsleven in Leiden, en ik bloeide op. Buiten was het mooi weer en binnen moest ik in mijn kamertje, met de gordijnen dicht, een week lang, acht uur per dag, zelfportretten tekenen. Die tekeningen rolde ik uit over de tafel om aan de leraar en mijn medestudenten te laten zien en ik dacht: dit ben ik, dit kan ik.

 

Eindelijk was ik omringd door mensen met dezelfde interesses.

Terug in Leiden maakte ik de rechtenstudie af en deed een stage bij Stibbe. Eigenlijk alleen om aan mezelf en mijn ouders te bewijzen dat ik het kon. Ik weet nog hoe ik daar, uit het raam kijkend, nieuwe ontwerpen maakte voor het bedrijfstuintje beneden. Mijn werk moest echt een andere kant op. Ik had het geluk dat mijn ouders mij daarin steunden, ook financieel. Ze hadden ook kunnen zeggen: ga jij maar lekker een baan zoeken in de juristerij. Na mijn afstuderen ben ik alsnog stage gaan lopen bij een bureau in landschapsarchitectuur. Hele dagen maquettes bouwen. Daar las ik over een opleiding tuin- en landschapsontwerp in Londen, een school die werd bevolkt door ‘career changers’, opgebrande bankiers uit de City en Russische oligarchendochters. Het was heel hard werken maar ik vond het prachtig! Eindelijk was ik omringd door mensen met dezelfde interesses. Van daaruit solliciteerde ik bij de beroemde tuinarchitect Arne Maynard. Binnen een week vloog ik first class naar Jordanië voor een grote klus en sliep ik in een vijfsterrenhotel. Alles wat ik zag, zoog ik in mij op. Vier jaar lang.

 

En toen ging het uit met mijn vriendin, een keurig Engels kostschoolmeisje. Ik was daar behoorlijk stuk van. Ik was begin dertig. Ik ben toen naar San Francisco gegaan voor een tuinmansopleiding op een schitterend landgoed, met colleges over orchideeën snoeien en planten vermeerderen. ‘Reconnect with mother nature.’ Het was er niet: ‘Where are you from’, maar: ‘Where you going?’ Dat was precies wat ik nodig had. Onze overjarige hippie professor teelde zijn eigen wiet en brouwde bier in de kelder. Daarnaast ging ik ‘landscape engineering’ studeren aan de Cornell University en kreeg ik een nieuwe kans. In plaats van de 18de- en 19de-eeuwse Engelse kasteeltuinen, waar ik me tot dan toe mee bezig had gehouden, mocht ik de tuinen doen van dotcommiljonairs die over de Golden Gate Bridge woonden. Hier ging alles over ‘sustainability’ en de toekomst. Nu pak ik met mijn eigen bedrijfje vanaf de Keizersgracht van alles aan: tuinen en dakterrassen van vrienden hier in Nederland en grotere projecten in Frankrijk, Engeland en Italië. Een vliegende kraai vangt altijd wat, heb ik geleerd. Hoewel, als ik thuis eens kom binnenvliegen, vang ik dikwijks behoorlijk wat commentaar van mijn vader. ‘Zorg dat je er behoorlijk uitziet als je naar een klant gaat’ en ‘er liggen nog wat blauwe brieven voor je klaar!’ Verder is hij geloof ik best trots en hij moet met mijn zwagers maar over corporate finance praten. Veel vrienden zeggen wel eens jaloers te zijn op het feit dat ik niet alleen een passie heb, maar vooral ook dat ik er wat mee doe. Zij doen wat van hen verwacht wordt in een traineeship bij een bank of groot bedrijf en sommigen komen er dan op hun 40ste achter dat ze niet gelukkig zijn in wat ze doen. Voor mijn vader werkte het maar voor mij was kennelijk een ander pad bestemd.

Vader: ‘Ja, maar hoe zit het met de oplossing?’

 

Bartel Huibregtsen, zoon van ex McKinsey topman Mickey Huibregtsen: 

'Mijn vader denkt vaak in groot, groter, grootst. Dat is niet altijd haalbaar voor mijn business.’

 

Ik zie mijn vader niet vaak. Toch is familie alles voor ons. Het gezin waar ik uit kom is vrij traditioneel. Dat betekent dat mijn vader, toen hij nog topman was van McKinsey, altijd op pad was en mijn moeder vervolgens zorgde dat we elkaar spraken. En dan bespraken we waar we mee bezig waren. Mijn moeder was er altijd, mijn vader was er als je hem nodig had. In mijn eigen gezin heeft mijn vrouw een eigen bedrijf en nemen we de opvoeding van onze vier dochters samen voor onze rekening. Ik ben net als mijn vader heel rationeel, maar ik heb ook een sterk sociale kant van netwerken en mensen leren kennen. Dat heb ik van mijn moeder. Ik werk graag met mensen. En die handelen niet altijd alleen maar rationeel, zo merk ik bijvoorbeeld in de modewereld waar ik veel mee te maken heb. Mijn vader is minder thuis in hoe de emotie speelt in mijn business. Je kunt een geweldig product hebben maar als mensen je niet mogen, kopen ze het niet. Mijn vader denkt als een adviseur en die hebben het altijd gemakkelijker. Die hoeven het niet zelf te doen. Hij denkt vaak in groot, groter, grootst. Maar dat is niet altijd haalbaar voor mijn business. Dan moet je zo’n gedachte terugbrengen naar wat wélmogelijk is. Terugbrengen naar echte mensen die ermee kunnen werken. En dan gewoon doen.

Mijn vader vond het jammer toen ik stopte met werktuigbouwkunde, maar is daar nooit oordelend over geweest.

Net als mijn vader ben ik werktuigbouwkunde gaan studeren. Voor een deel omdat hij dat had gedaan, eigenlijk. Maar na tweeënhalf jaar was dat niet echt opgeschoten. Ik was te veel met andere dingen bezig. Ik maakte een hoop lol op de studentenvereniging, was veel aan het hockeyen (Laren/Gooische Heren 1) en was toen ook al met twee vriendjes aan het ondernemen geslagen met een hardwarebedrijfje. Mijn vader vond het jammer toen ik stopte met werktuigbouwkunde, maar is daar nooit oordelend over geweest. Hij liet ons vrij en was blij als wij gelukkig waren in wat we deden en er dan helemaal voor gingen, zoals een topsporter. Ik wilde iets doen wat ik kon combineren met mijn ondernemende plannen: het werd rechten. Een generieke opleiding die ik later zou kunnen gebruiken als ondernemer. Toen ik klaar was, wilde ik ons bedrijf een boost geven. We deden van alles, maar ik vond dat als je echt groot wilt worden je een keuze moet maken. Maar mijn partners wilden op dezelfde manier doorgaan. Het was dus: of jullie kopen mij uit of ik koop jullie uit. Het werd het eerste.

 

Ik was toen 28 en stond voor de vraag: wat nu? Iets ondernemends wilde ik. Via via kwam ik bij Morgan Stanley in Londen terecht. Ik werkte aan de private kant, dan doe je equity sales, aandelen verkopen aan particulieren en instituten. Eigenlijk was ik er een soort eigen ondernemer en kreeg maandelijks uitbetaald op mijn commissies. Het was keihard werken, maar heel leuk. En het ging als een speer eind jaren negentig. Later ben ik naar Kempen & Co gegaan, maar dat bleek niet hetzelfde. Te corporate, te bureaucratisch. Dat werkte niet voor mij. Ik wilde weer ondernemer zijn, zelf de controle hebben. Toen kwam ik Maurits Teunissen tegen,mijn huidige zakenpartner. Samen hebben we een eigen ICTbedrijf, iShopShape, globaal marktleider op het gebied van Visual Merchandising Software. We doen zo’n beetje alle grote modemerken en draaien dit jaar een omzet van €3 mln. Negentig procent van onze klanten zijn modebedrijven. Mode is een bijzondere tak van sport. Veel gaat er op gevoel, op smaak, op intuïtie. Ik moest in het begin wel wennen, het was anders dan normaal corporate en zeker niet altijd zo rationeel als ik van huis uit heb meegekregen. Het leuke van deze business vind ik enerzijds de techniek, weten hoe het werkt, en anderzijds de mensen: dat je wereldwijd aan tafel zit met alle grote bazen van de grote modemerken. Allemaal mensen die anders denken dan puur rationeel.

Ik houd van veranderen, van andere dingen doen, van het contact met andere mensen en ook besteed ik graag voldoende tijd aan mijn vier dochters.

Om ook bij McKinsey te gaan werken is nooit bij mij opgekomen. Ik heb niet veel met het gebaande pad, voor zover dat een gebaand pad genoemd kan worden. Ik houd van veranderen, van andere dingen doen, van het contact met andere mensen en ook besteed ik graag voldoende tijd aan mijn vier dochters. Het belangrijkste wat ik van mijn vader heb meegekregen is dat je geen angst moet hebben, maar gewoon moet aanpakken. Dan zie je wel waar het schip strandt. ‘Vervelend als iets niet lukt, maar hoe zit het met de oplossing?’ Ook een dikke huid hebben, heb ik van hem geleerd. Ik probeer aan mijn eigen kinderen ook over te brengen dat je je niets moetaantrekken van wat anderen van jou vinden. Niet met groepjes meedoen, niet dezelfde jas aandoen die de anderen hebben, maar doen waar je zelf voor staat.

  • Facebook - Grey Circle
  • LinkedIn - Grey Circle
  • Twitter - Grey Circle
  • Instagram - Grey Circle