Schermafbeelding 2022-05-02 om 16.23.05.png
Schermafbeelding 2022-05-02 om 16.23.17.png
cover_UT66S9VXL.png

Wandelen door Zwolle met Museum de Fundatie directeur Ralph Keuning (1961) 

 

‘Ik houd van kunstenaars die het strijdperk betreden’

 

Museum de Fundatie, en museum met kunst die voorbij wil gaan aan l’art pour l’art. Met kunst die de strijd aangaat. Met een locatie in Zwolle, een stad midden in het land met banden tot in Leipzig en een locatie in Heino/Wijhe. Een wandeling met de directeur Ralph Keuning. 

 

Tekst en foto’s van Koos de Wilt

 

In 1682 stortte de hoge vijftiende-eeuwse toren van de Grote of Sint-Michaëlskerk in. Zwolle verloor op dat moment de hoogste toren van het land, hoger dan de Utrechtse Domtoren. Inmiddels is de wolk die op het gebouw van Museum de Fundatie ligt, niet het hoogste, maar sinds 2013 toch wel de meest uitgesproken opbouw van het land. Architect Hubert-Jan Henket zette de twee zalen boven elkaar boven op het neoclassicistische gebouw dat voorheen, vanaf 1840 functioneerde als gerechtshof. De Koninklijke Tichelaar uit Makkum ontwikkelde een nieuwe driedimensionale keramische tegel die er soms voor zorgt dat de wolk lijkt op te gaan in de lucht. Meer ruimte was nodig, onder het museum kon niet, omdat daar de fundamenten lagen van de oude stadsmuren. Met de bovenbouw kreeg het museum in totaal de drieduizend vierkante meter ruimte die nodig was om aan de ambities van het museum tegemoet te komen.  

‘Het werk van Rauch is naast de achtentwintig werken van Jan Cremer en werk van Paul Citroen de ruggengraad van onze collectie.’

In de opbouw is een groot raam op noorden gezet dat zo is geplaatst, dat er geen zonlicht naar binnen kan vallen. Daar aan de bar, met het uitzicht op de kerk en de oude binnenstad, vertelt Ralph Keuning over zijn begin hier in 2007. ‘In die tijd waren er 15 duizend bezoekers. In het jaar voor corona, in 2018, tikten we op onze beide locaties in totaal een dikke 270 duizend bezoekers aan waarvan ongeveer de helft uit de Randstad.’ Voor de museumdirecteur aan de slag ging in Zwolle, was het een heel ander museum. ‘Het museum zit hier pas sinds 2005, daarvoor was het museum alleen nog maar gevestigd in Kasteel het Nijenhuis, de voormalige woning van groot verzamelaar Dirk Hannema.’ Keuning vertelt dat deze voormalig directeur van Boijmans een jaar kunstgeschiedenis had gestudeerd en later een eredoctoraat kreeg omdat hij de Emmaüsgangers had gekocht. Daarvan werd toen gedacht dat het een Vermeer was, maar een schilderij bleek te zijn van de meestervervalser Han van Meegeren. ‘Maar’, zo vindt Keuning ook: ‘Hannema had wel een interessante collectie van duizenden kunstwerken met een aanzienlijk aantal internationale highlights van o.a. Bernardo Strozzi, Jan Weenix, Sebastian Stoskopff, JMW Turner, Vincent van Gogh, Marino Marini en Antonio Canova. Een verzameling van zwerfkeien werd het wel genoemd, wat de kwaliteit van de collectie tekortdoet. We beheren de kunstcollectie van de provincie Overijssel met daarin de verzameling van Paul Citroen, de bekende portrettist die eind negentiende eeuw in Berlijn is geboren en daar tot het midden van de jaren twintig woonde en werkte. Dat prikkelde me enorm omdat ik tussen 1986 en 1992 in Berlijn woonde en onderzoek deed naar de Berlijnse Dadaïst John Heartfield die een kompaan was van Paul Citroen. In 2008 lieten we een groot Paul Citroen overzicht zien en afgelopen jaar een retrospectief van John Heartfield.’

 

Rob Scholte en Neo Rauch

Keuning neemt de trap naar beneden langs de enorme grote gouden vredesduif van Marte Röling op het dak en naar de zalen beneden door de overzichtstentoonstelling Reproductie Verplicht van Rob Scholte. ‘We hebben beperkte ruimte en moeten dus bij zo’n grote overzichtstentoonstelling met tweehonderd werken de vaste collectie even inkrimpen. Scholte is een groot kunstenaar met een geestrijk oeuvre dat te weinig aandacht heeft gekregen de afgelopen decennia. Zijn laatste overzicht dateert van 1988 nota bene en veel mensen zien nu pas weer hoe belangrijk hij is en is geweest voor de ontwikkeling van de kunst.’ Keuning loopt de zaal in met twaalf grote schilderijen in vergelijkbaar formaat, geschilderd vanaf de jaren tachtig tot en met 2008. ‘Vooral die in het midden vind ik interessant. Het is een kasteel op een klif waar je eerder een vuurtoren zou verwachten. Het bouwwerk lijkt heel stevig, maar als je goed kijkt zou het zomaar van suikerklontjes kunnen zijn gemaakt, heel kwetsbaar dus. De kunst van Rob Scholte is enorm intelligent. Het zijn heldere werken, crisp.’ 

 

‘Ik hou van kunstenaars die niet vluchten in de l’art pour l’art, maar de strijd aangaan.’ 

Keuning loopt de zaal in waar vier werken hangen van de Leipziger kunstenaar Neo Rauch in combinatie met werken uit de collectie. ‘Hier een schilderij van Alessandro Magnasco, Italiaanse schilder uit de late barok en een zeventiende-eeuws schilderij van de Italiaan Bernardo Strozzi. En daar een schilderij van zestiende-eeuwse Antwerpse kunstenaar Abraham Janssens met de titel De goede en de slechte moordenaar. Het werk van Rauch is naast de achtentwintig werken van Jan Cremer en de collectie van Paul Citroen de ruggengraat van onze collectie. We hebben zelf twee schilderijen van Rauch en elf in bruikleen. Rauch is een draaipunt van onze collectie, zoals Van Gogh dat is voor het Kröller-Müller en Rembrandt voor het Rijksmuseum. Onze collectie beslaat heel goed de periode van de late middeleeuwen tot nu en de tijdreiziger Rauch verbindt zich met alle eeuwen. Hij doet dat met dezelfde figuratie die ook onze collectie bepaalt.’ Keuning loopt naar het grote schilderij Vater dat Rauch in 2007 schilderde. ‘Het zijn beelden en dromen van de kunstenaar die de beschouwer uitnodigen om daaraan deel te nemen, niet eenvoudig, omdat Rauch het werk voor zich wil laten spreken’, zegt de museumdirecteur. ‘Ik vind dit zijn belangrijkste werk. Natuurlijk omdat het geweldig geschilderd is, maar het geeft ook aanwijzingen hoe we naar schilderijen van Rauch kunnen kijken. Hij was vier weken oud toen zijn ouders, twee kunststudenten van negentien en eenentwintig jaar, bij een treinongeluk om het leven kwamen. Hij groeide daarna op bij zijn grootouders in de voormalige DDR. Hier lijkt het alsof hij, in de kleding van de tijd van Robespierre, zijn vader in zijn armen neemt alsof het een kind is. Maar hij beeldt zichzelf nog een keer af in moderne kledij terwijl hij een foto maakt van een vaas. Hij reist door de tijd, gebruikt het piëta thema en lijkt de heilige graal te vinden in de vorm van de vaas, die zijn vader ooit vond in de puinhopen van het gebombardeerde Dresden. Een schilderij over leven, verlies en de eeuwigheid.’  

 

Ook is er een zaal met enorme doeken die een hele jonge Jan Cremer schilderde. Allemaal kunstenaars die zich niet bezighielden met waterlelies op de vijver, maar zich bezighielden met de rauwe kantjes van de wereld.

Echte strijd

We lopen langs een aantal werken die sinds Keuning directeur is in de collectie zijn gekomen: Het enige schilderij van Otto Dix in een Nederlands museum, een gouache van Marc Chagall en een recente aankoop, een dadaïstische fotocollages van George Grosz en John Hartfield. Ook is er een zaal met enorme heftige doeken die een hele jonge Jan Cremer schilderde. Keuning houdt van kunstenaars die de wereld in alle heftigheid tot thema maken. ‘Noem het geëngageerde kunst. Vandaar zijn specialisatie in de politieke kunst van de Republiek van Weimar en van de Koude Oorlog. Ik zie de schoonheid van de l’art pour l’art van de Waterlelies van Monet, maar voel me veel meer geboeid door het maatschappelijk engagement van de Berlijnse Dadaïsten. Ik voel me daarom ook verbonden met de jonge activistische kunstenaars van nu, zoals Joyce Overheul van wie we nu een tentoonstelling hebben. Zij vluchten niet in schoonheid, maar zoeken de strijd op en willen bijdragen aan een betere wereld. Alhoewel het werk van Overheul juist wel aaibaar en glinsterend is. Kunst en engagement horen bij elkaar, dat zie je aan de Nachtwacht en ook aan de kunstenaars van nu die klimaat, gender, vrijheid en onderdrukking nadrukkelijk hun thema maken. In Museum de Fundatie geven we juist ook die kunstenaars graag een podium.’

 

Scholte is een groot kunstenaar met een prachtig oeuvre dat is ondergesneeuwd door de aandacht die in de afgelopen decennia is uitgegaan naar andere dingen dan zijn kunst.

Herman Brood 

Keuning loopt naar buiten de trappen af van het museum en langs de Herman Brood Experience, een plek waar de Zwolse rockartiest en kunstenaar wordt geëerd. De museumdirecteur wijst aan de zijkant van het gebouw hoe ver het pand doorloopt. ‘Hier gaf de monnik Johannes Cele eind veertiende, begin vijftiende eeuw les op de Latijnse school. Cele was een sleutelfiguur in de beweging van de Moderne Devotie en heeft veel bijgedragen aan de verspreiding van ideeën tot hervorming van kerk, onderwijs en samenleving. Hij is de vader van alle moderne gymnasia in Nederland. Verderop in de steeg wijst Keuning naar het pand waar de beeldhouwer Titus Leeser zijn atelier had en naar een hoekpand waar creatieve producten te koop zijn van Cibap, een mbo-vakschool waar jongeren worden opgeleid voor de creatieve industrie. ‘Zwolle leidt veel creatieve professionals op, zowel op hbo- als mbo-niveau. Cibap is al decennialang de beste creatieve mbo van Nederland. Die dynamiek voel je ook economisch in Zwolle’, zegt Keuning terwijl hij door het enorme Academiehuis of de Grote Kerk Zwolle wandelt. ‘De regio Zwolle is de vierde economische regio van Nederland en knoopt aan op het Hanzeverleden, toen de handelsroutes vanuit Zwolle via Duitsland tot diep in Oost-Europa liepen, dit was de meest welvarende regio van Nederland. Cultuur was en is een wezenlijk onderdeel van de Zwolse dynamiek en de blikrichting naar Duitsland profileert ons zowel economisch als qua kunst. Denk in dit verband ook aan Neo Rauch.’ 

 

Keuning kijkt graag naar de toekomst. ‘We werken hard aan ons programma voor de komende jaren met onder meer tentoonstellingen gewijd aan de zeventiende-eeuwse portrettist en genreschilder Gerard ter Borch en zijn familie in 2023, Gerhard Richter in 2024 en een tentoonstelling over het verwerken van oorlogsleed met Otto Dix, Bernhard Heisig en een schilder van nu in 2025. Ondertussen loopt ons programma met activistische kunst volop met nu Nature Talks, over kunst die de mens niet centraal stelt en in september de tentoonstelling Gelichaamd van Nieke Koek. Zij verbindt kunst met gezondheidszorg.’  Het is al laat, aan twee dingen is Keuning niet toegekomen, zegt hij bij het afscheid: de geplande uitbreiding in de buurt van bij het spoor, de Rode Loods - een voormalige werkspoorfabriek die Museum de Fundatie wil ombouwen voor tentoonstellingen die veel ruimte nodig hebben - en het zelfportret van Paula Modersohn-Becker dat het museum binnenkort op zaal hangt, een langdurig bruikleen uit particulier bezit. Misschien iets voor een volgende keer?

 

[2022]