OP ZOEK NAAR HET RAUWE, HET ONBENOEMBARE

 

Koos de Wilt in gesprek met kunstenaar Udo Braehler (1940). Over de dood van mijn vader en zijn zoon. Over reclame en god, over ondernemerschap en kunstenaarschap. Over de jaren zestig en over nu. 

Zijn eerste drie levensjaren groeide hij op in Duitsland, midden in de oorlog. Zijn vroegste herinnering was tegelijk de meest heftige die je je maar kunt voorstellen als kind. Het was 1943 en Duitsland lag onder vuur, genadeloos vuur van generaal Sir Arthur Harris. Udo zat als peuter in een trein op de schoot bij zijn vader toen die plotseling werd getroffen door een granaat. ‘Mijn vader kreeg en scherf in zijn hoofd en was op slag dood. Als door een wonder bleef ik ongedeerd. Ik was nog maar drie, maar net als veel andere kinderen uit de oorlog, is dat moment mij altijd bijgebleven. De brandende huizen en chaos zijn op mijn netvlies gebrand. Ik zie de touwbrug nog zo voor me die over de rivier gespannen was omdat de brug was weggebombardeerd. Ik was doodsbang om over de brug te lopen en hield me stevig vast aan de schouders van een soldaat die me naar de andere kant van de rivier tilde. Mijn moeder keek toe vanaf de kant.’

 

‘Mijn vader kreeg en scherf in zijn hoofd en was op slag dood. Als door een wonder bleef ik ongedeerd. Ik was nog maar drie, maar net als veel andere kinderen uit de oorlog, is dat moment mij altijd bijgebleven. 

Omdat zijn moeder Nederlands was, belandde hij in 1947 als zevenjarig jochie in Nederland. Hier groeide Udo Braehler verder op als Nederlander met een Duitse ziel. Hier bouwde hij een eigen leven op; met een gezin met een dochter en een zoon en met eigen reclamebureau. Voor zijn zoon probeerde hij de vader te zijn die hij zelf niet had. Maar toen ineens kwam zijn negentienjarige zoon Dimitri om, bij een motorongeluk. ‘We kregen midden in de nacht een telefoontje met het bericht. Weg. Dimitri leek in alles op mijn vrouw. Het was een knappe man. Hij stond op het punt in Delft architectuur te gaan studeren. Dimitri was een zeer charismatische jongeman met veel vrienden en vriendinnen en die bleven maar komen bij ons thuis. Zo bleef hij onder ons. Tot we daar op een gegeven moment genoeg van kregen. Temeer omdat er rare dingen gebeurden. Zo gingen de douches ‘s nachts ineens aan. Zomaar, terwijl er verder niemand in huis was behalve mijn vrouw en dochter. Een paar dagen na zijn dood was zijn kamer helemaal nat. Er was geen lekkage, maar alles was vochtig. Alle papieren waren nat, uit de kostuums druppelde water en langs de wanden droop het naar beneden. Dimitri was niet weg.’

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In alles wat de kunstenaar Udo Braehler doet, legt hij verband tussen de twee mannelijke elementen in zijn leven: zijn vader en zijn zoon: ‘De dood confronteert je met de ervaring dat je leeft en met de ervaring dat je dat unieke dat het leven is elk moment weer kunt verliezen. Ik heb de ervaring dat het onverwachte en de chaos erbij horen en genoten moeten worden. De dood van Dimitri voelde aan alsof ik mijn vader weer verloor. Door de intense manier waarop we met de dood werden geconfronteerd, kwam het leven des te heftiger binnen. Twee dagen hebben we gerouwd. Maar het nieuws was te groot en we zijn dan ook gewoon blijven doorwerken. Ik was op dat moment 45 en had twee succesvolle reclamebureaus en een vestiging in Berlijn. Veel huwelijken stranden omdat je elkaar niet kan geven wat de ander nodig heeft. Je hebt genoeg aan je eigen emoties. Je kan die van de ander er eenvoudigweg niet bij hebben. Dat geeft eenzaamheid in een huwelijk. Ik ben in die tijd vaak in de auto gaan zitten en ben gewoon maar wat voor mij uit gaan staren.’ 

 

‘De dood confronteert je met de ervaring dat je leeft en met de ervaring dat je dat unieke dat het leven is elk moment weer kunt verliezen. 

Na de dood van hun zoon kochten Braehler en zijn vrouw een tweede huis in de Ardennen, een ruïne in die tijd nog. Een plek waar ze aan de slag moesten, hard werken. ‘Ik vergelijk huizen altijd met menselijke karakters. Dat huis in de Ardennen was een soort omaatje en dat paste bij de fase waar we inkwamen. Een oma die geen pasklare antwoorden geeft, maar er wel gewoon is, zonder hoogdravende boodschappen. Terwijl we in het centrum van Utrecht een statige heer als huis hadden, vonden we troost bij dat aardse huis in de Ardennen. Door het te verbouwen, deed ik heel ander werk, in een heel andere cultuur, met heel veel natuur en omringd door alleen maar ambachtenlieden en boeren. Dat was wat ik nodig had. Ik kon die mensen daar niet eens uitleggen wat reclame eigenlijk was en wat corporate identity en communicatie taakstellingen inhielden. ‘Kun je niet een gewoon beroep kiezen’, zeiden ze dan, ‘gewoon bakker worden’. Hun aanwezigheid trok mij door mijn rouw heen.’

 

Vechten voor een vloeitje

Volgens de Duitse filosoof Peter Sloterdijk zitten we met z’n allen gevangen in een kristallen paleis. De westerse mens leeft met het idee dat het bezit van aardse goederen blij maakt, dat het leven en de maatschappij maakbaar zijn en alles te programmeren is. Onze economie draait op dit misverstand en wordt er weer door gevoed. Het leven heeft Braehler geleerd dat de meest wezenlijke dingen in het leven niet te plannen zijn en niet te controleren: ‘De realiteit is minder glamorous, minder overzichtelijk en minder gepland en bestuurbaar dan de wereld van reclame doet suggereren. Ook Facebook en Twitter geven je de indruk dat je aan de realiteit kunt ontsnappen. Je kunt jezelf moduleren naar een ideale wereld en ervoor zorgen dat iedereen je leuk en aardig vindt. Het is avontuur zonder gevaar. Het is liefde zonder investering. Maar dat bestaat niet.’ 

 

Hoe verhoudt zich de reclame zich met sociale media van nu. Braehler: ‘In de sociale media van nu “liken” we elkaar voordurend. Controversiële onderwerpen, een echte discussie kunnen niet meer. Voor mijn generatie, van mensen die geboren zijn in de jaren veertig, was kritiek en discussie iets moois. Kritiek op anderen en op jezelf waren belangrijk. We zochten de confrontatie met elkaar. Nu aaien we elkaar en verwennen onze kinderen. Het incasseringsvermogen neemt daardoor af. Het internet past bij die wereld. Het Internet is verslavend doordat je kunt zien wat je wilt zien, ook al heeft het niets met de echte wereld te maken. Porno bijvoorbeeld kun je overal op het net vinden, wat in het normale leven onvindbaar is. Die beschikbaarheid en het gevoel dat je de wereld naar je hand kunt zetten, maakt mensen uiteindelijk diep ongelukkig.’ 

 

De westerse mens leeft met het idee dat het bezit van aardse goederen blij maakt, dat het leven en de maatschappij maakbaar zijn en alles te programmeren is. Onze economie draait op dit misverstand en wordt er weer door gevoed. 

Doordat alles maar verkrijgbaar is via het internet, word je niet meer verrast en ook niet meer teleurgesteld, vindt Braehler: ‘Het levert een vlak bestaan op waarbij mensen bij de MH17 tragedie massaal aan de haal gaan met het verdriet van iemand anders. Schelden en huilen op het net is makkelijk en consequentieloos. Mensen uiten hun woede op sociale platforms zonder echt na te denken wat er werkelijk aan de hand is. De onderbuik regeert. Deze instant emoties zijn zo gemakkelijk. Ik heb als kind ervaren waar instant emoties toe kunnen leiden. Een beschaafde cultuur als de Duitse die in een paar jaar compleet vervalt in barbarij. Door mijn reclame-ervaring weet ik ook wat je in het hoofd van mensen kunt creëren. Een merk is als een persoon waarmee mensen iets hebben, ook al is die relatie maar flinterdun. Ik heb gezien hoe mensen vochten voor onbenullige vloeitjesmerken als Rizla en Mascotte. Twee identieke vloeipapier feitelijk, die geen andere functies hebben dan reuk- en smaakloos te zijn en alleen maar de shag bij elkaar te houden. Mensen bleken op de vuist te gaan om hun merk te verdedigen. Als dat met zoiets kan met zo’n product dan kunnen politici hetzelfde doen en die de mensheid in die rampspoed kan brengen.’ 

 

Eindigend als Diogenes

In de jaren zestig, op zijn tweeëntwintigste stapte Udo Braehler de reclame in. Hoe was dat toen?. Braehler: ‘Het vak bestond nog niet en we vonden het zelf uit. Het was ontzettend fijn om met een team interessante concepten neer te zetten, daar beelden bij te vinden en dat uit te voeren. Met reclame creëer je een droom, creëer je nieuwe identiteiten. Goede merken zijn wezens die je creëert. Wij waren discipelen van de consumptiemaatschappij. En consumeren was mooi. Eten wat je wilde eten, naar een supermarkt gaan en een auto kon kopen waren mooie dingen. Kopen had te maken met vrijheid. Maar dat veranderde. Medio jaren tachtig kwam ik er steeds meer achter dat het het leven niet meer spannend maakte. Er ontstond een verveling bij de welvaart. Ook bij mij.’ 

 

In 1990 verkocht hij de zaak en in 1995 werd Udo Braehler full time kunstenaar. Het was een avontuur. Een zoektocht waarbij hij ook niet goed wist waarheen hij heen wilde.

In 1990 verkocht hij de zaak en in 1995 werd Udo Braehler full time kunstenaar. Het was een avontuur. Een zoektocht waarbij hij ook niet goed wist waarheen hij heen wilde. ‘Ik wilde van binnenuit werken in plaats van van buitenaf. Het was uitdagend, maar ik was ook bang voor het proces dat je doorgaat als kunstenaar. Als je alles af gaat pellen is er de angst dat je een soort Diogenes wordt: wijs, maar zonder illusies eindigend in een tonnetje op straat. Ik was niet meer de sociale, joviale man die ik was, vond mij vrouw. Ik vond mezelf eigenlijk niet veranderd, maar ik was wel introverter geworden, meer bezig met mijn eigen wereld. Mijn partner vond het beangstigend dat ik naar de academie ging. Van een contentieus, plannende man die elke dag met grote budgetten en stevige concurrentie bezig was, was ik ineens iemand geworden die het toeval zomaar liet binnenkomen. Maar het was mijn avontuur dat ik aan moest gaan. Ik wilde de onzekerheid toelaten. Ik wilde niet meer de volledige controle hebben over mijn omgeving. Ik had dat van 1965 tot 1990 gedaan en wilde dat niet meer. Ik wilde het toeval toelaten in mijn wereld, in mijn werk. Ik wilde ook niet meer altijd consequent zijn. Consequent betekent dat je het toeval niet toelaat en ik wilde dat niet in mijn kunst. Als ik strikt een schets uitwerk naar een schilderij dan levert dat geen spannend werk op. Ik wil worstelen met het werk waarmee ik bezig ben. Ik wil gedurende het proces corrigeren door over het bestaande heen te schilderen. Juist die lagen eronder, die eigenlijk niet meer ziet, zijn belangrijk.’

 

Van een contentieus, plannende man die elke dag met grote budgetten en stevige concurrentie bezig was, was ik ineens iemand geworden die het toeval zomaar liet binnenkomen.

Merken als identiteiten

Udo Braehler schildert stedelijke landschappen. Vervreemdende perspectieven waar boven- en onderkant onduidelijk blijven. Felle gloeiende kleuren tegen koele blauwe en donkere bruine achtergronden. Natuur verstrengeld in moderne architectuur. Hard rood en meedogenloos blauw tegen elkaar. Grof afgescheurde lifestyle- en reclamepagina’s uit tijdschriften over flarden schreeuwende posters waarvan de betekenis niet meer is te achterhalen. Felrode bloemen die vrolijk dansen door een koele industriële ruimte, zoekend naar houvast. Een felrode trap in een industrieel labyrint waarbij de herkomst en eindbestemming onduidelijk blijft. Reclame komt altijd terug in het werk van Udo Braehler. ‘In mijn schilderijen gebruik ik elementen die ook in de reclame en communicatie worden gebruikt. Popart elementen, afbeeldingen uit de massamedia die het platte genot beloven. Het zijn de beelden waarmee we ons dagelijks omringen, maar waarbij we niet leren te zien wat erachter zit. De hoofdpersoon Harry Haller in Herman Hesse’s boek Steppewolf waart in het interbellum door een Duitse stad als door een jungle en ervaart een sprookjesachtige wereld. Zo beweeg ik mij ook door de stad en ik zoek er naar melancholie en romantiek in afgebladderde posters en berichten uit een verloren tijd. Net als Warhol stel ik gebruiksvoorwerpen centraal in mijn kunst. Ik benader die objecten als wezens, als elementen uit de werkelijke wereld. Ook de postmodernist David Salle gebruikt deze beelden uit de massacommunicatie. Ik ervaar in zijn werk als het overlopen van een harde schijf waar te veel beelden in zitten. Een schilderij van een luitenant en een dansend beeld en een vrouw die zich uitkleedt. Beelden en weer nieuwe beelden die over elkaar heen buitelen en waarin we verdrinken.’

 

Als reclamemaker ben je elke dag opnieuw bezig met je publiek te verleiden. Moet kunst ook verleiden? Braehler: ‘Ik wil mensen niet verleiden, maar eerder in verwarring brengen.

Als reclamemaker ben je elke dag opnieuw bezig met je publiek te verleiden. Moet kunst ook verleiden? Braehler: ‘Ik wil mensen niet verleiden, maar eerder in verwarring brengen. Ik mijn werk wil ik dat ze, gebruikmakend met de media en communicatie-uitingen waar we ons dagelijks mee omringen, een andere wereld zien die direct onder het alledaagse ligt. In mijn kunst wil ik een zekere mate van onbehagen overbrengen. Laten zien dat er naast het gepolijste, de maatschappij waar je alles kunt krijgen via het internet, dat er daarnaast een andere avontuurlijke en aantrekkelijke wereld is. Als mensen over mijn werk zeggen dat het mooi, dan verontrust dat mij. Het gevaar van mooie dingen is dat het niet blijft. Een zonsondergang is na een paar minuten ook genoeg. Zoals mensen ontroerd kunnen worden van het Meisje met de parel van Vermeer, zo heb ik dat niet. Ik houd meer van de ruwe en ongepolijste vrouwen van Rembrandt.’ 

 

Junge Wilden

Braehlers schilderijen echoën de felle, vrije verfstreken van zo'n honderd jaar geleden van de Duitse expressionisten. Schilders van die Brücke, zoals Kirchner, Heckel en Schmidt-Rotluff, die het academisme achter zich lieten en ongeremde emotie op het doek toverden. De meeste verwantschap voelt Braehler met kunst van zijn Duitse tijdgenoten van de Junge Wilden. Deze kunstenaars, zoals Martin Kippenberger, Markus Lüpertz en A.R. Penck,schilderden hun expressieve schilderijen in felle, intense kleuren en met snelle, brede penseelstreken. Ze ageerden tegen de gevestigde Avant garde, de Minimal Art en Conceptual Art. Er was geen orde in de wereld, eerde wanorde. Braehler: ‘Als tiener schilderde ik schilderijen die, zo zag ik pas veel later, verwantschap vertoonden met het werk van de die antiburgerlijke, op vrijheid beluste en tegendraads stroming. Ik weet nog dat mijn leeftijdsgenoot, de Düsseldorfse Jörg Immendorff, mij naar de keel greep. De Jonge Wilden stonden voor mij met hun rauwheid voor het echte leven.’ 

 

‘Duitsers hebben de neiging dingen groter te maken, grote verbanden te leggen en grote gebaren te maken. Ze hebben de neiging de details te vergeten en het grote probleem op te pakken zonder te letten op de schade die dat onderweg kan aanrichten.

‘Duitsers hebben de neiging dingen groter te maken, grote verbanden te leggen en grote gebaren te maken. Ze hebben de neiging de details te vergeten en het grote probleem op te pakken zonder te letten op de schade die dat onderweg kan aanrichten. Je bereikt er wel wat mee, maar dat compromisloze kan leiden tot fundamentalisme. Duitsland heeft de oorlog verloren door de immoraliteit van het regime, door de Holocaust die een afgrijselijk restproduct was van een ander plan. Ik kan het begrijpen hoe dat heeft kunnen gebeuren en voel me ook meer dader dan slachtoffer alhoewel ik vijf was toen de oorlog voorbij was. Het werk van de Duitse kunstenaar Anselm Kiefer gaat altijd maar weer om de oorlog. De gelaagde en doorleefde bruine en zwarte landschappen met loopgraven en verbrande aarde, de verbrande Reichstag en zwartgeblakerde bomen, vliegtuigen en boeken. Kiefer verwijst naar alchemistische processen waarbij materialen worden getransformeerd en verbeterd. Het verleden wordt verwerkt om te komen tot iets beters. Het gaat over Heimweh, over de grond en over melancholie over erfschuld. Kiefer heeft het over het verdriet en verwonding. Over hoe het kan dat een beschaafd land kan verworden tot wat het werd. Hij verwerkt zijn verdriet van de teloorgang van een bloeiende cultuur die zichzelf heeft vernietigd. Over iets dat mooi was ineens kapot kon gaan. Het zijn de dingen waar ik mee bezig ben.‘

 

Apocriefe geloofsbrieven

Udo Braehler gelooft niet zoals de kerken het graag zien. Hij heeft vooral ook weinig met de manier waarop het geloof aan de man gebracht wordt. Toch houdt het geloof hem bezig, ook in zijn werk. Kruisigingen zonder de gebruikelijke devote omstanders, maar juist provocerende afbeeldingen van uitdagende, zinnenprikkelende covergirls met pornografische verwijzingen. Een kwetsbare kerk in een woest geschilderd landschap. Maar ook heiligen die doen denken aan de celebraties die Andy Warhol afbeeldde op zijn silkscreens. Braehler: ‘In het geloof moet je niet de brave mensen benoemen, maar de zondaars en de mensen die het allemaal niet weten. De nieuwe paus doet dat meer. Ik zoek dat ook in mijn religieuze werk. Bij de kruisiging beeld ik dus geen brave mensen af, maar matrozen en hoertjes. Christus stel ik mij voor als een rebels persoon terwijl hij door de kerk wordt gezien als een icoon van liefde en begrip. In het begin waren de christenen ook opstandig en Augustinus heeft geprobeerd hun verhalen onder te brengen in een consistent geheel. Dat is de tijd dat de apocriefe teksten uit de bijbel werden verbannen. De God van de apocriefe teksten is onbenoembaar. Het Geheime Boek van Johannes beschrijft de goede God als onkenbaar en onbeschrijflijk."Hij is noch volmaaktheid, noch schoonheid, noch godheid, want hij is meer dan dat; hij is zelfs niet oneindig, want hij is meer dan dat. Hij maakt geen deel uit van eeuwigheid of tijd", staat in de apocriefe tekst van Johannes.’ 

 

‘Geloof gaat over grote levensvragen als waarom we hier zijn, wat de betekenis van dit leven is. Vaak gaat het dan over hoe God het kan toestaan dat er zoveel verdriet is en dat je een kind verliest.'

Wat heeft Braehler met geloof? Braehler: ‘Geloof gaat over grote levensvragen als waarom we hier zijn, wat de betekenis van dit leven is. Vaak gaat het dan over hoe God het kan toestaan dat er zoveel verdriet is en dat je een kind verliest. Maar die veronderstelling klopt niet. De veronderstelling is dat God iemand is van vlees en bloed, een soort mens met een baard die op een wolk de wereld bestuurt. In de apocriefe boeken wordt een heel andere God voorgesteld. De huidige kerk stelt God voor als een soort übermensch. De opleiding van dominees en priesters blijven steken in clichés. Ze worden niet opgeleid om mensen te begrijpen en vanuit de problemen van mensen te denken. Ze denken vanuit het product. In marketingtermen zijn ze productgeoriënteerd, in plaats van vraaggeoriënteerd. Ik kijk niet neer op mensen die God zien als persoon van vlees en bloed. Als je bidt, is het ook alleen maar mogelijk te bidden naar iets dat benoembaar is. Je bidt naar een persoon. Ik heb familie in de Bible Belt en daar wordt zo’n wereldbeeld geschetst. Ik heb ook gebeden toen mijn zoon stierf. En toen bad ik ook naar een God met een baard.’

  • Facebook - Grey Circle
  • LinkedIn - Grey Circle
  • Twitter - Grey Circle
  • Instagram - Grey Circle