Jessica Durlacher over haar vriendschap met met Joost Zwagerman - een jaar na zijn overlijden

‘Vals licht heb ik echt van de eerste tot de laatste bladzijde meegekregen.’

Schermafbeelding 2021-01-23 om 08.59.32.
Schermafbeelding 2021-01-23 om 09.00.06.
Schermafbeelding 2021-01-23 om 09.01.37.
Schermafbeelding 2021-01-23 om 09.00.27.

Interview van Koos de Wilt voor Literatuurmuseum

 

EEN ZIELTOGEND PLANTJE


‘In 1985 startte ik samen met een paar studenten het literaire blad De Held. Het had een oplage van zo’n 750 lezers en ik deed de advertentieacquisitie erbij. We typten de stukken bij elkaar, knipten en plakten wat en brachten het naar de drukker. Het was heel erg leuk en enorm amateuristisch, we leerden al doende. Toch kende iedereen die iets met schrijven te maken had het blad, ondanks de geringe oplage. We deden dan ook erg ons best om relevant en arrogant te zijn. Ik weet nog dat we stukken van Tommy Wieringa hebben geweigerd.

Ik had Joost ontmoet tijdens een dichtersavond in de Balie en kwam hem weer tegen in De verloren tijd, een boekhandeltje in de Pijp waar druk over literatuur werd gesproken. Joost was al bekend en publiceerde regelmatig in Tirade. Ik probeerde hem voor De Held te winnen, maar dat hield hij aanvankelijk af. Uiteindelijk lukte het me toch. Inmiddels bestonden we bijna drie jaar en was het enthousiasme van de meerderheid van de redactie wat gaan tanen. Eigenlijk was het een zieltogend plantje geworden, redelijk obscuur ook, want we hielden erg vast aan het principe dat het ons om nieuw talent ging. Gearriveerde auteurs daar bleven we verre van – tot Joost erbij kwam. Van de oude redactie bleven alleen Peter Elberse en ik over, en Joost dus. Joost zette de trend voort die door oud-redactielid Arthur Lava was ingezet: hij bracht de dichters binnen, de Maximalen. Allemaal mannen met een enorm ego en veel gebrul. Mannen die het straatrumoer terug wilden brengen in de poëzie.

In die tijd zat Joost midden in het schrijven van Gimmick! Hij leefde het feitelijk. Ja, we vonden elkaar leuk, maar ik hield hem een beetje op afstand. Ik voelde aan dat hij een tomeloze ambitie koesterde jegens ongeveer alles – en zag heel goed dat hij mij als niet meer dan een soort trofee beschouwde: meisje/vrouw, literair geïnteresseerd, niet onaantrekkelijk, etc. Ik wist gewoon dat het nooit wat kon worden en bovendien was ik al met iemand. Dat zinde Joost niet, en als Joost iemand wilde overtuigen van zijn intenties, dan ging hij door roeien en ruiten. Bellen, bellen en bellen. Brieven, brieven en nog eens brieven. Tomeloos, kortom. Enorm inspirerend, enorm levendig. Maar het was vooral een grote vriendschap. Hij vertelde me heel veel over Gimmick! We trokken veel met elkaar op, zagen elkaar in Café het Paleis, wat toen the place to be was met kunstenaars als Rob Scholte, Frank Starik, Sandra Derks. Op Sandra was hij verliefd, Gimmick! ging grotendeels over haar. Arthur Lava kwam daar en Koos Dalstra, het personage Groen. Dalstra sprak consequent in de krankzinnigste onnavolgbare oneliners. Het waren altijd interessante bijeenkomsten in het Paleis, veel testosteron, veel drugs (coke) en machismo. Enorme bewijsdrang. Joost viel zo op Sandra omdat ze als mooi meisje in deze scene overeind bleef, iets soevereins had, kunstenaar kon zijn. Geen van allen hadden ze veel geduld met uitleggen, redeneren, zoals Joost, het waren kunstenaars, direct en wild, en dat fascineerde Joost, die totaal niet zo was.

Joost wilde hier heel graag bij horen, one of the guys zijn, de kunst die ze maakten interesseerde hem, hun wereld fascineerde hem, en niet alleen omdat hij met dat boek bezig was. Het boek kwam eruit voort, maar toen hij eenmaal aan het schrijven was cultiveerde hij zijn fascinatie, want de irrationaliteit, de drukte en de macho aanstellerij pasten uiteindelijk niet bij hem. Walter Raam, zijn gevoelige alter ego in Gimmick!, ontliep hem als karakter niet veel, was zelfs misschien een stukje more streetwise dan Joost zelf. De kunstenaars waardeerden Joost, maar hij moest wel erg zijn best doen. En toen het boek eenmaal was verschenen, voelde een aantal zich toch lichtelijk verraden en in zijn hemd gezet, dat heeft wel een eind aan die periode gemaakt...

 

‘IK VOND HET FASCINEREND HOE HIJ IN VALS LICHT DE WERKELIJKHEID OMBOUWDE TOT LITERATUUR’

 

Ondertussen stuwde Joost De Held op in de vaart der volkeren door allerlei bekendere auteurs om bijdragen te vragen. Het maakte het blad bekender en professioneler, ook in vormgeving en opmaak, maar ook minder eigen, voor mijn gevoel. We hebben het twee jaar volgehouden. In die periode begon ik aan mijn afstudeerscriptie Nederlandse letterkunde, over Gerrit Krol en het postmodernisme, en Joost aan Vals licht. Die roman heb ik echt van de eerste tot de laatste bladzijde meegekregen, doordat hij tijdens urenlange telefoongesprekken dagelijks aan me voorlas wat hij had geschreven. Vals licht is gebaseerd op gebeurtenissen uit de werkelijkheid, en ik vond het fascinerend hoe hij die ombouwde naar fictie, naar literatuur. Het boek gaat over een meisje, een hoertje dat hem de ultieme eer bewees: ze vond hem leuk. Hij was de uitverkorene. Hij kwam als klant, en werd haar geliefde. Dat meisje was behoorlijk gek, met allerlei issues, maar Joost was verliefd, op haar of op de fascinatie die ze bij hem opwekte, of misschien wel doordat hij zo gevleid was over zijn positie in haar leven. Hij wilde haar redden, natuurlijk, maar ook alles over haar en haar wereld opsnuiven om over te kunnen schrijven. Hij vond het een unieke kans, en hij schreef er inderdaad een uniek verhaal over. Hij betaalde haar vriendinnen om dingen te vertellen. Er schuilde een pragmatisme in, iets gewetenloos, waar we veel over discussieerden. Hij gebruikte haar op een bepaalde manier en het meisje had een moeilijk leven. Moreel gezien is dat ingewikkeld, en toch begrijp ik het. Om een verhaal werkelijk te doorgronden, moet je soms ver gaan. Dat doe ik ook. Net als bij Gimmick! begon het met fascinatie voor een bepaalde wereld waar hij deel van wilde uitmaken, om van die wereld vervolgens al researchend literatuur te maken. Als dat is gebeurd, tergt die wereld je niet langer, trekt die je niet langer aan, je gebruikt hem als het ware op. Joost zag het meisje na voltooiing niet meer, maar als ik me goed herinner heeft hij haar nog wel een exemplaar gebracht. Zelf heb ik dat meisje nooit gezien, overigens.’

 

RUZIE OVER HOPPER


‘Er is wel wat veranderd in de vriendschap vanaf het moment dat ik met Leon was. Dat was in 1991. Misschien omdat Joost rivaliteit voelde met Leon, als collega-schrijver. Niet dat we niet meer belden, dat deden we nog steeds, maar het bleef wel meer op de vlakte. Ook de verfilming van Vals licht door Theo van Gogh, de man die Leon al sinds jaar en dag in columns en artikelen probeerde af te breken en met de meest vreselijke antisemitische leuzen bestookte, zorgde voor afstand. Joost vond het nodig om Theo van Gogh te verdedigen, en hij en ik voerden daar enorme strijd over, in brieven en aan de telefoon. Ik vond dat ik hierin voor Leon moest staan.

De ruzie die we vele jaren later maakten, en die tot een breuk leidde die van 2008 tot 2011 duurde, had met Leon te maken. Zonder zich dat te realiseren had Leon, net als voor zijn eerdere romans, een bewerkte versie van een schilderij van Hopper als cover gekozen. Het toeval wilde dat het om Night windows ging, waarmee De Bezige Bij Het recht op terugkeer wilde sieren, dezelfde afbeelding die Joost in 1991 voor Vals licht had gebruikt. Daar ging het om het originele schilderij van Edward Hopper, bij Leon om een soort remake daarvan. Joost was razend, buiten zinnen, ook al was Vals licht allang niet meer in de handel, was het zeventien jaar na dato. Hij bewoog hemel en aarde om te voorkomen dat Leon zijn omslag zou gebruiken. Hij belde de redacties van zowel de AP als De Bij, alle redacties van kranten en tijdschriften, iedereen in de literaire wereld om medestanders te vergaren en er een stokje voor te steken. Ik probeerde te bemiddelen, te argumenteren, werd daarna zelf woedend en ten slotte barstte het. Voor mijn gevoel was hij totaal de weg kwijt, ik begreep niet waarom hij zo heftig reageerde, en zulke verschrikkelijke dingen over Leon moest zeggen. In mij brak iets toen ik ergens zijn uitspraak las dat mijn vader zich in zijn graf zou omdraaien over iets wat Leon in de krant had gezegd over Israël – iets wat hij moedwillig verkeerd interpreteerde.

We zagen elkaar drie jaar lang niet. In 2011, ik was net terug uit Los Angeles, belde hij me opeens. Zijn scheiding was achter de rug, hij miste me en wilde me graag zien. Ik zei ja. Het was heel emotioneel. Tijdens onze ontmoeting zag ik hoe slecht hij eraan toe was. Ik schrok ervan. Ik besefte hoe lang ik hem kende, dat ik zijn oudste vriendin was, en hij mijn oudste vriend. Ik had hem enorm gemist, ook dat besefte ik. Ik had vreselijk met hem te doen, zo slecht ging het met hem. Vanaf dat moment spraken we elkaar weer regelmatig, vooral per telefoon, later in Haarlem waar hij ging wonen, maar de verhouding was compleet anders. Hij leed verschrikkelijk onder de veranderingen in zijn leven, was voortdurend in paniek. Die laatste drie jaren waren de gesprekken niet evenwichtig meer, hij was vaak van streek, zocht steun, bevestiging. Ik maakte me zorgen over hem, deed mijn best om redelijke dingen in te brengen. Het ging met vlagen heel goed met hem, dan was hij productief en hoopvol, hij was gelukkig met Maaike, zijn vriendin, maar ook leed hij op andere momenten opeens aan wat ik als irrationele angsten beschouwde, neuroses, en zijn gezondheid was niet zo goed. Dan was hij onredelijk, niet tot bedaren te brengen, schreef hij onnavolgbare e-mails. En later praatten we over het grote nieuwe boek waar hij over nadacht, over huisarts Nico Tromp, wiens lot enorm met dat van hem verweven was, en wiens zelfmoord hem heel erg had aangegrepen. Ik stimuleerde hem dat boek te schrijven, zorgde dat Robbert Ammerlaan met Joost ging praten. Er waren periodes dat we lange gesprekken voerden waarin soms de oude Joost doorklonk, geïnteresseerd, vrolijk, geestig. Dat was de Joost die las, vertelde, schreef, een goede vader voor zijn kinderen was. Maar steeds vaker werd hij overvallen door depressies en angsten, en belde hij me in nood en als hij steun nodig had. Dan moedigde ik hem aan om hulp te zoeken, belde hem veel, praatte met hem, stelde hem gerust. In de twee weken voor zijn dood leek hij zich te hebben hernomen na een hele zware inzinking. Hij deed alsof het beter ging. Ik geloofde in die tour de force, ik wilde hem geloven. Tot die vreselijke dag, 8 september.’

 

DE NIEUWE ROMAN


‘Joost vond mij altijd te sociaal… Hoe kan je iets gedaan krijgen als je zoveel mensen ziet? vroeg hij dan. En dat terwijl hij degene was die zichzelf voortdurend maar opdeelde. En allerlei klussen aanpakte. Ik vond dat hij weer een roman moest schrijven. Maar hij had het altijd al moeilijk met de druk van het verdienen, voor het gezin vooral. Het maakte hem panisch op sommige momenten. Een roman schrijven is bovendien niet geheid de weg naar welvaart. Het kán gebeuren, maar je mag er niet van uitgaan. Joost was bovendien steeds meer geïnteresseerd geraakt in het schrijven van essays. Hij kon het goed en het had meteen publiek doordat het in de krant kwam. Daarna waren ze nog te bundelen in boekvorm. Maar de ambities voor de langere termijn kwamen er ernstig door in het gedrang. We hadden het er vaak over. Over die verscheurdheid. Het kan niet anders, zei hij dan. Hij leed eronder.

De dag voordat hij vol flair een verhaal vertelde in het Teylers Museum, had ik hem depressief aan de lijn gehad. Hij had het moeilijk. Hij had een totale hybris, maar tegelijkertijd waardeerde hij zichzelf totaal niet. Het schrijven van essays bracht hem geluk, maar hij was ook een slaaf van zijn eigen productie. Op een gegeven moment had hij schoon genoeg van zijn stukken over beeldende kunst, zoals hij eerder ook klaar was met schrijven over literatuur. En die roman kwam er steeds maar niet. Het kan ook zijn dat hij gewoon geen thema had, geen verhaal dat hij moest vertellen. Om een roman te kunnen schrijven moet je je fantasie opkloppen. Je moet er moed voor maken. Je moet een idee hebben, een fascinatie voor iets wat je meemaakt, zoals voor hem dat meisje dat hij op de hoek van de straat tegenkwam voor Vals licht. Dat beeldige meisje dat eruitzag als een droomprinsesje en dat vieze werk deed. Dat trof hem enorm. Het was alsof hem daarvoor het geloof en de moed steeds meer ontbraken.

‘JOOST HAD OP EEN GEGEVEN MOMENT 5.500 FACEBOOKVRIENDEN, DIE HIJ ALLEMAAL ONTVRIENDDE TOEN HIJ DEPRESSIEF WAS. TOEN HET WEER EEN BEETJE GING, MAAKTE HIJ DIE KAST WEER OPEN’

 

Depressie is de achterkant van brille. Brille is een combinatie van het hebben van een tomeloze energie met een gevoel van urgentie om te vertellen wie je bent, waar je heen wil, wat je ziet. Het is de voortdurende behoefte om te worden gezien, en als je dan even versaagt is er de angst dat alles instort. Dat kent bijna elk beroemd mens. Ik heb Marco Borsato een keer gesproken toen hij net weer boven Jan was. “Ja, het gaat goed, maar hoe hou je het vast?” zei hij, met een soort waanzin in zijn ogen. Beroemd zijn is hard werken. Ik ben niet zo beroemd, maar ik heb toch vaak de behoefte om zichtbaar te zijn omdat het ergens een diep gevoel van onzekerheid opheft. Als schrijver moet dat ook, anders heb je geen lezers. Ik vind sociale media het engste wat er is, maar het is wel functioneel. Joost had op een gegeven moment 5.500 Facebookvrienden, die hij allemaal ontvriendde toen hij depressief was. Toen het weer een beetje ging, maakte hij die kast weer open. Ik kan dat niet, Joost wel. Het leek wel of hij voortdurend bevestiging zocht dat hij bestond.

Ik heb wel eens gedacht dat Joosts romans altijd varianten zijn op iets anders. Zoals Gimmick! een variant is op Bright Lights, Big City. Hij was een enorme lezer. Iedere schrijver reflecteert op eerder werk, maar Joost was een krankzinnig goede lezer en leerling. Heel onzeker én rigoureus én vol hybris, een gekke combinatie. Dat is ook waar postmodernisme over gaat, reflecteren op wat er al is, en daarbij schijt hebben aan geldende normen over hoge en lage cultuur. Joost was heel geschoold, maar misschien twijfelde hij diep vanbinnen aan zijn kern, aan de urgentie van zijn schrijven. Hij zocht er altijd naar, maar durfde hem niet te vinden. Veel van zijn romans zijn vanuit wilskracht ontstaan. In zijn essays en in zijn poëzie daarentegen was hij volstrekt vrij: eigen en oorspronkelijk. Alsof daarin de druk niet zo groot was.’

DE EERSTE ZIN


‘De eerste zin van een roman is heel belangrijk. Er ligt een geweldige druk op. Soms is ie er pas aan het einde van het schrijfproces. En soms is het zo’n mooie streek waar een heel boek uit volgt. Of een alinea. Het is de sokkel van een roman. De opening van Vals licht is: ‘‘Alles moest geheim blijven.’’

 

Joost was een docent, een dominee bijna. Hij komt uit een echte onderwijzersfamilie. Hij had de drang, voelde een diepe behoefte om mensen uit te leggen waarom iets belangrijk was, mooi was, waar was. Iedereen moest ook vinden wat hij vond, zien wat hij zag. En als anderen het niet met hem eens waren, ging hij tot het uiterste om hen ervan te overtuigen dat ze ongelijk hadden. Daardoor kwam hij regelmatig in conflict met mensen. Dat zit in alle schrijvers wel een beetje, vermoedelijk: anderen moeten mee in jouw wagen, jouw spoor. Waarom zou je anders schrijven? Bij hem dreigde de passie waarmee hij mensen voor zijn ideeën trachtte te winnen soms wat door te slaan, dan werd het te veel, maar vaker inspireerde hij mensen ook enorm, zeker als hij over de dingen sprak of schreef die hij mooi vond. 

 

Joost heeft mij altijd gesteund in wat ik schreef, hij was collegiaal loyaal. Ik heb mijn eerste roman pas kunnen schrijven na mijn vaders dood, mijn geschiedenis was in mijn ogen futiel in vergelijking met die van mijn vader. Heel lang blokkeerde me dat. Joost geloofde altijd dat ik het ooit toch zou doen. Ik weet nog wel dat we, heel lang geleden, bij café Gambrinus op de Ferdinand Bol wat simpels zaten te eten tijdens een vergadering van De Held. We hadden het over de roman die ik zou gaan schrijven. Onzeker zei ik dat het moest gaan over het leven dat theater is. “Nou, Jessica,” zei Joost, met die ingehouden giechellach die hij kon hebben, kauwend op zijn biefstuk met friet: “Dat klinkt heel veelbelovend.” Ik weet nog dat we daar toen heel erg om moesten lachen, en toch was het niet gemeen. Ik voelde me niet afgezeken, hij wist immers precies hoe moeilijk het was, romans schrijven. Mijn ideeën over een plot en inhoud had ik toen ook nog niet. Toen hij veel later mijn eerste roman las weet ik nog dat hij daarin zocht naar dat theater, dat wist hij kennelijk nog. Hij vond het leuk dat het boek er was. Hij had er respect voor. Doordat we nu allebei schrijvers waren, werden we gelijkwaardiger.’