IMG_7325.jpeg
IMG_7344.jpeg
IMG_7364.jpeg

'Met Rutte en Donner op de fiets en met politici die vrijuit over het plein wandelen tussen journalisten, dagjesmensen en protesteerders. Die vorm van vrijheid en vertrouwen is iets om te koesteren.’ 

IMG_7347.jpeg

‘Kijk daar, achter dat raampje, verbleef raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt vlak voordat hij voor de ingang van de Ridderzaal in 1619 werd onthoofd.

IMG_7354.jpeg
IMG_7370.jpeg

'Stadhouder Willem V had op deze plek zijn schilderijencollectie, waaronder heel veel schilderijen die we nu kennen van de collectie van het Mauritshuis, met beroemde werken van Van Dyck, Holbein, Potter, Rembrandt en Rubens.' 

IMG_7382.jpeg

'Alles ging mis in het Rampjaar 1672, zowel economisch als politiek. We werden dat jaar tegelijkertijd aangevallen door de Duitsers, Fransen en Engelsen. De meute gaf de schuld aan de gebroeders De Witt.'

IMG_7385.jpeg
IMG_7388.jpeg
IMG_7321.jpeg

'Volgend jaar bestaat het museum dus tweehonderd jaar. Daar zijn we nu druk mee bezig.’

IMG_7359.jpeg
d3ad87_a6817b4c536248bd9f6d7ed54169d1b7_

Wandelen met Martine Gosselink, directeur van het Mauritshuis

 

‘Op het Binnenhof komt alles en iedereen samen’

 

‘Ik wil uitleggen waarom Johan Maurits deze plek heeft uitgekozen om zijn Mauritshuis te bouwen’, vertelt de directeur van het museum als ze vanaf het Mauritshuis langs het Torentje van Rutte, door de Mauritspoort, naar de ingang van Algemene Zaken wandelt waar buiten voor de ingang toevallig net een persconferentie plaatsvindt van minister Hugo de Jonge.

 

TEKST & FOTO'S VAN Koos de Wilt voor COLLECT

 

‘Kijk, daar staat mijn vriend’, grapt de museumdirecteur. ‘Hij heeft zulke domme uitspraken gedaan over musea die niet zouden behoren bij de essentiële beroepen. Bordelen zouden daar wel bij horen.’ De kunsthistorica laat de groep journalisten en belangstellenden achter zich en begint te vertellen dat hier achter de Ridderzaal de oudste vertrekken van het Binnenhof waren met funderingen die teruggaan naar de dertiende eeuw. ‘Eeuwen geleden woonden hier graven en gravinnen. De Ridderzaal zelf stamt ook uit die tijd. Hier gebeurt altijd wat. Mensen die op pannendeksels slaan om de premier te storen en de politieke besluitvorming. Hier was al heel vroeg het bestuurlijke en juridische centrum van de Nederlanden, toen nog onder het Duitse Rijk van Karel V. In 1555 nam zijn zoon Filips II het hier als Spaanse koning over, zoals in ons volkslied wordt bezongen. Het leuke is dat Filips gedurende zijn tour door Nederland hier heeft gewandeld met Willem van Oranje, in die tijd nog de vazal van Filips vader Karel V. Op de plek waar het Mauritshuis nu staat hebben Willem en Filips in de grafelijke tuinen de lunch genuttigd. Hier kwam alles en iedereen die ertoe deed samen. Nog steeds.’

 

‘De schilderijengalerij van stadhouder kan worden gezien als het eerste museum van Nederland.’

Mark Rutte

Martine Gosselink is van studie kunsthistoricus, studeerde daarnaast indologie en koloniale geschiedenis van India en Indonesië. Voor ze vorig jaar directeur werd van het Mauritshuis was ze elf jaar lang hoofd geschiedenis van het Rijksmuseum. Ze houdt van geschiedenis en kunst en citeert graag de Britse historicus Simon Schama die zich ook veel met kunst bezighoudt: ‘Kunst zonder context maakt blind, tekst zonder verbeelding maakt doof.’ De museumdirecteur wandelt vanachter de Ridderzaal via de rechterkant richting de binnenplaats van het Binnenhof. ‘Kijk daar, achter dat raampje, verbleef raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt vlak voordat hij voor de ingang van de Ridderzaal in 1619 werd onthoofd, op een houten schavot met zand om het bloed op te vangen. En daar, aan de andere kant, in de Mauritstoren, zou Maurits hebben toegekeken.’ Gosselink wijst naar de andere kant, naar de wandelgangen van de Eerste Kamer. ‘Daar heb ik eens samen met Mark Rutte door het raam gekeken, met in onze hand de gravure die werd gemaakt van de onthoofding. Dat voelde heel raar dat ik daar met de premier stond. Rutte staat in directe lijn met Van Oldenbarnevelt en is een enorme fan van de raadpensionaris. Ik bewonder Van Oldenbarnevelt ook, met name om zijn standvastigheid. Die standvastigheid was ook een eigenschap van Johan en Cornelis de Witt, die trouwens eveneens behoren tot de favorieten van Rutte. Dat je zo gruwelijk wordt verhoord en toch vasthoudt aan waar je voor staat. De beul van De Witt heeft in een brief aan De Witts vrouw om vergiffenis gevraagd en geschreven dat de marteling is een vergissing is geweest.’

 

Gosselink loopt naar een plaket met daarop de tekst dat hier de grafzerken liggen van de graven van Holland en het onthoofde lijk van de raadpensionaris. Gosselink: ‘Zijn zoon is als criticus van de Oranjes daarna ook onthoofd en bij zijn vader in de Hofkapel begraven. Er moeten dus twee lichamen liggen met twee losse hoofden. De kans is groot dat die bij de restauratiewerkzaamheden deze restanten gevonden gaan worden. En ook de grafelijke graven. Bij eerdere restauraties is de vlecht van Jacoba van Beieren gevonden, zij was in het begin van de vijftiende eeuw gravin van Holland, Zeeland en Henegouwen. Die vlecht was gedurende de hele negentiende eeuw te bewonderen in het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden dat zich in het Mauritshuis bevond. De helft van zijn bestaan is het Mauritshuis dus een geschiedenismuseum geweest. Ook het kanonnetje uit Sri Lanka heeft hier gestaan. Er was zelfs een opgezette Inuit in een kajak te zien, een echte Groenlander dus. Gruwelijk, zullen we nu zeggen.’

 

‘Op de plek waar het Mauritshuis nu staat hebben Willem en Filips in de grafelijke tuinen de lunch genuttigd.’

We lopen door langs de ingang van de Eerste Kamer. ‘Dit is zo’n bijzondere plek!’, zegt Gosselink. ‘Het is er heel donker met een zweem van nostalgie. Het laat zien hoe ons bestuur door de eeuwen heen heeft gefunctioneerd in al die kleine vertrekken. Natuurlijk moeten we mee in de tijd, met ledverlichting en detectie, maar ik vind het ook belangrijk om te blijven voelen hoe het hier door de eeuwen heen aan toe is gegaan. En hoe het er nog steeds aan toe gaat. Met Rutte en Donner op de fiets en met politici die vrijuit over het plein wandelen tussen journalisten, dagjesmensen en protesteerders. Die vorm van vrijheid en vertrouwen is iets om te koesteren.’ 

 

Constantijn Huygens

We gaan door de Stadhouderspoort naar het Buitenhof, langs een haringkar met daarnaast het ruiterstandbeeld van Willem II. Op het hoofd van de koning houdt een meeuw het publiek in de gaten om te zien of er een harinkje te pikken is. Maar Gosselink wil het hebben over de man die het Mauritshuis heeft gebouwd. ‘Johan Maurits kwam uit Kleef, als Duitse prins en militair die ook achterneef was van stadhouder Frederik Hendrik. Hij kwam naar Den Haag om een huis te bouwen tegenover dat van secretaris van Frederik Hendrik, Constantijn Huygens, die we ook kennen als dichter, componist, architect en parfumier. De achterneven raakten bevriend wat er weer toe leidde dat Johan Maurits voor de West Indische Compagnie gouverneur werd van de op de Portugezen veroverde provincie Pernambuco in Brazilië. Tijdens zijn verblijf in Brazilië kreeg hij het voor elkaar dat Huygens een oogje in het zeil hield bij de verbouwing. Door zich hier te vestigen verzamelde Johan Maurits iedereen die ertoe deed om zich heen. Ook vroeg hij architect Jacob van Campen om het op dat moment belangrijkste classicistische bouwwerk van Nederland te bouwen, nog steeds hét schoolvoorbeeld van de classicistische bouwkunst. Het liep allemaal op rolletjes voor de gouverneur. Tot het moment dat hij werd gesnapt met zijn sluikhandel naast zijn werk als gouverneur in dienst van de WIC. Onder Portugese vlag verhandelde hij slaafgemaakte Afrikanen aan Portugese suikerplantagehouders. Sluikhandel gebeurde veel in de VOC- en WIC-gelederen, maar dit was ontoelaatbaar gezien zijn positie. Ook was er het probleem dat hij in Mauritsstad in Brazilië een beetje te grote feesten gaf, een te grote staf had en er het veel te dure paleis Vrijburg bouwde. Daarom werd het huidige Mauritshuis in die tijd spottend ook wel Suikerpaleis genoemd, omdat hij het met zijn illegale privéhandel financierde.’

 

‘Ik bewonder Van Oldenbarnevelt ook, met name om zijn standvastigheid. Dat je zo gruwelijk wordt verhoord en toch vasthoudt aan waar je voor staat.’

Stadhouder Willem V

We belanden aan het Buitenhof met uitzicht op de Hofvijver. Maar Gosselink wijst naar de andere kant van de weg, naar een onbeduidend groen geschilderd gebouw naast het bekende Gevangenpoort. ‘Hier, op deze plek, zijn veel schilderijen gemaakt van prinsen op hun paarden voor de Hofvijver. Een van die schilderijen hangt hier. Stadhouder Willem V had op deze plek zijn schilderijencollectie, waaronder heel veel schilderijen die we nu kennen van de collectie van het Mauritshuis, met beroemde werken van Van Dyck, Holbein, Potter, Rembrandt en Rubens. De schilderijengalerij van stadhouder kan worden gezien als het eerste museum van Nederland aangezien het vanaf 1773 op woensdag en een dag in het weekend voor iedereen toegankelijk was, mits keurig gekleed en zonder kinderen. Ook de Stier van Potter hing hier, tot het door de Franse troepen mee naar Parijs werd geroofd. Het grappige is dat de Parijzenaars zich in het Louvre verbaasden over wat die rare Hollanders bezielden om een doodordinaire stier zo kolossaal groot te schilderen. Op de vlucht voor de Fransen had Willem V alles laten hangen, hij nam alleen een hoed mee naar Londen van zijn voor-, voor, voorvader Ernst Casimir met een kogel erdoorheen, een familieherinnering. Pas na de val van Napoleon in 1815 is de directeur van het Nederlands Museum met de Duke of Wellington naar het Louvre gegaan om de kunst op karren geladen weer terug te halen. Feitelijk gaat het hier ook over roofkunst, maar het is niet kunst waaraan vierhonderd jaar pijn, exploitatie en uitbuiting van het koloniale verleden aan vast zit. Wij hebben een prima verhouding met Frankrijk, we kopen zelfs gezamenlijk twee Rembrandts, die van Maarten en Oopjen, aan. De Galerij van Prins Willem V, het gebouw met de groene voorgevel, is een dependance van het Mauritshuis waar we zeker meer mee gaan doen.’

 

We lopen verder langs het plein op het Buitenhof langs het bronzen beeld uit 1918 van raadpensionaris Johan de Witt, die uitkijkt naar het Groene Zoodje, de plek waar hij met zijn broer Cornelis door een woedende meute op de meest gruwelijk wijze werd vermoord. Gosselink: ‘Alles ging mis in het Rampjaar 1672, zowel economisch als politiek. We werden dat jaar tegelijkertijd aangevallen door de Duitsers, Fransen en Engelsen. De meute gaf de schuld aan de gebroeders De Witt. Van de moordpartij is een vingerkootje van Cornelis en tong van Johan bewaard gebleven. Die liggen nu in het Haags Historisch Museum daar aan de andere kant van de Hofvijver.’

 

‘Tijdens zijn verblijf in Brazilië kreeg hij het voor elkaar dat Constantijn Huygens een oogje in het zeil hield bij de verbouwing.’

Anton de Kom

Op de weg terug naar het Mauritshuis loopt Gosselink langs de Lange Vijverberg langs een zittend beeld van de eerdergenoemde Johan van Oldenbarnevelt dat daar in 1954 na de nodige tegenwerking is komen te staan. Gosselink: ‘Hij was een andere tegenstander van de Oranjes die buiten het Binnenhof een beeld heeft gekregen. Hij kijkt naar de plek waar hij werd onthoofd.’ Als Gosselink verder langs de Hofvijver loopt, vertelt ze over hoe het Mauritshuis en het Binnenhof de plek is geworden waar ook op een andere manier een pijnlijk verleden gematerialiseerd wordt. ‘Op 1 juli is er de Keti Koti wandeling, dan wordt er uiteraard gestopt bij het Mauritshuis, het huis van de man die zich had verrijkt met slavenhandel. Ook is er het verhaal van de tot slaaf gemaakte Surinaamse Elisabeth Samson die halverwege de achttiende eeuw bij de Staten Generaal haar recht kwam halen om te kunnen trouwen met een witte man. Ze werd tegengewerkt, maar het lukte haar uiteindelijk met de man te trouwen van wie ze hield. Fantastisch toch? Ook mooi is het verhaal dat Anton de Kom, schrijver van Wij slaven van Suriname, de houten trappen van het Mauritshuis beklom en vertelde over het zware hout dat zijn voorouders uit de bossen hebben moeten slepen.’ Gosselink eindigt haar rondje weer bij het Mauritshuis dat de laatste likjes verf krijgt. ‘In 1704 fikte de hele boel hier af, er bleef niets over van het interieur van het stadspaleis van Johan Maurits. Het lijkt erop dat daarmee het huis ritueel is gereinigd van een bezoedeld verleden, feitelijk dus ook van het hout waarover De Kom het had. In 1822 ging Mauritshuis open zoals we het nu kennen. Volgend jaar bestaat het museum dus tweehonderd jaar. Daar zijn we nu druk mee bezig.’