Op bezoek in Zuid-Frankrijk bij kunstenaar en ex-kunsthandelaar Herman Krikhaar

‘Ik had een goede schilder kunnen zijn, maar ik had de moed niet om armoede te lijden.’

‘Met alleen een Almelo’s accent vertrekt Herman Krikhaar (1930) op zijn zeventiende naar Parijs. Met een beetje Duits van de bezetter, een beetje Engels van de Canadezen, maar zonder een woord Frans, wordt hij er bordenwasser. Zonder vereiste opleiding wordt hij later purser bij de KLM en weer later kunstenaar en invloedrijk Amsterdams kunsthandelaar. ‘Zo gaat het altijd bij Herman’, zegt zijn Helena. ‘Hij komt toevallig de juiste mensen tegen en zegt precies wat hij bedoelt…’

Interview: Koos de Wilt voor Van Lanschot Bankiers (2005) 

In 1941, toen Herman elf was, kwamen er twee politieagenten binnen om te zeggen dat zijn vader kon kiezen: of lid worden van de NSB of Herman’s postduiven zouden worden gedood. ‘Dan moeten de duiven er maar aan’, antwoordde zijn vader toen. De volgende dag kwamen er inderdaad soldaten die ze allemaal de nek omdraaiden en tegen de muur aan smeten. ‘Ik vond het verschrikkelijk! Ik heb ze allemaal geboren zien worden, een drama was het. Daarna ben ik gaan tekenen en ik weet nog dat ik als troost van mijn moeder een grote doos met tubes olieverf kreeg. Dat was het begin.’

In zijn werk zoekt Krikhaar voortdurend naar beweging. Ook gebruikt hij veel kleuren. ‘Kort geleden heb ik in Marokko een soort blauw ontdekt dat ik nog nooit gezien had, iets tussen koningsblauw en ultramarijn in, iets dat tegen het blauw aanzit van Yves Klein, maar toch nét iets krachtiger is. Yves Saint Laurent heeft er de rechten van.’ Krikhaar laat zich door alles wat hij ziet en voelt inspireren. In de kleuren, de onderwerpen, de vormen en in de stijl van werken laat hij zien dat hij veel kunst heeft gezien, veel hedendaagse en veel eeuwenoude kunst. ‘Ik zie veel nieuwe stromingen, maar er is niet veel dat me écht interesseert. Ik ga nog mee met Duitse expressionisten als Kiefer, maar wat erna is gekomen, kan me maar nauwelijks boeien.’ Je ziet invloeden van Van Gogh, Duitse expressionisten van Der Blaue Reiter en Die Brücke, Matisse, Picasso, etnografica, klassieke beelden, CoBrA en misschien zelfs wel van Keith Haring.

 

De enige schilder van wie Krikhaar invloed erkent, is Van Gogh. Vorig jaar, zo weet hij te vertellen, is in de buurt van Arles een vrouw overleden die 120 is geworden en hem nog gekend heeft. Ze vertelde dat ze een omweg maakte als ze hem zag aankomen. Zo bang was ze voor hem. ‘Veel Fransen doen net of Van Gogh een Fransman is geweest’, zegt de Almelose schilder. ‘Van Gogh’s leven is natuurlijk verschrikkelijk geweest, maar tóch word ik er door aangetrokken.’ Ooit heeft Krikhaar eens gezegd: ‘Ik had een goede schilder kunnen zijn, maar ik had de moed niet om armoede te lijden.’ Zelf psychologiseert hij niet graag, maar wellicht komt het doordat hij van vaders kant uit een bakkersfamilie komt en er alleen van moederskant belangstelling was voor muziek en kunst. Het is misschien daarom dat hij, naast zijn kunstenaarschap, altijd een min of meer gewone baan had: als bordenwasser in Parijs, daarna als KLM-purser en weer later als kunsthandelaar. Pas de laatste jaren is hij alleen schilder. Net zo geconcentreerd op zijn werk als de ex-kunsthandelaar Van Gogh ooit was. Krikhaar: ‘Ik weet nog dat ik op mijn vijftiende op Van Gogh attent werd gemaakt door mevrouw Hilden die een winkeltje had met kruisbeelden en met catechismussen. Die mevrouw kwam bij ons in de bakkerij en ik weet nog dat een bakkersknecht van wat restdeeg, dat nog aan de messen van de roggebroodsnijmachine zat, drollen draaiden en die voor haar hondje neerlegde. “Kijk Uw hondje vreet poep!”, zei die.  “Ja” zei mevrouw Hilden toen, “hij wordt oud en moet maar naar het asiel gebracht worden.” Een dag later kwam er een grote vrachtwagen voorbij en reed zo het kopje van het hondje eraf dat door de etalageruit van mevrouw Hillen schoot en terechtkwam op de catechismus. Mevrouw Hillen gaf  mij op datzelfde moment een ansichtkaart Van Gogh.’

‘Ik heb eigenlijk altijd de pest gehad aan verkopen. Ik vond inkopen veel leuker. Ik koop met liefde in, als een verzamelaar. Voor de verkoop had ik altijd goede mensen.’

Cézanne-landschap

Herman Krikhaar woont samen met Helena Krikhaar-Stork in de Provençaalse heuvels in Zuid-Frankrijk, in de villa die Herman’s zoon Alexander op maat voor hen heeft gemaakt. Le Cygne, heet het huis, zwaan op z’n Frans. De villa is zeer ruim, licht, met witte wanden vol kunstwerken, met lichte mediterrane natuurstenen tegels op de vloer en een enorme, donker betegelde haard in het midden van de ruimte. Boven bevindt zich een licht en groot atelier en beneden een ruime kelder voor de opslag van zo’n zes- à zevenhonderd eigen werken. Onder het atelier is nog een grote garage met ruimte voor minstens drie auto’s. Binnen staat alleen de witte jaren vijftig Corvette mooi te wezen. De rest staat buiten. In de huiskamer het knapperend haardvuur en een Provençaals landschap van Cézanne met Van Goghiaanse cipressen in een groen-, bruin- en geelglooiend landschap. Leven als God in Frankrijk wordt hier goed in beeld gebracht. ‘Een gevecht is het geweest om het moderne gebouw met plat dak en veel glas te mogen bouwen. De kleur komt overeen met de omliggende huizen, maar de architectuur is totaal anders’, zegt Krikhaar. ‘Stukje bij beetje heb ik het plan erdoor kunnen krijgen bij de Franse autoriteiten.’ Volgens Helena een karwei dat helemaal op het lijf geschreven is van Herman. ‘Een huis zonder dak en dat niet is gebouwd volgens de strenge Franse regels mag gewoon niet. Voor andere mensen dan… Niet voor Herman. Dat past helemaal bij hoe Herman dingen aanpakt. Pas als het niet kan of niet mag, wordt het voor Herman pas echt interessant. Hij rolt van het ene in het andere.’ Krikhaar: ‘Ik weet nog dat ik op mijn zeventiende met mijn metalen spaarpotje naar de bank ben gegaan om die open te laten maken om naar Parijs te kunnen gaan. Ik was zo stom als de pest en maakte op school liever papieren vliegtuigjes dan dat ik Frans leerde spreken. Ik ben een jaar in Parijs geweest, vooral als bordenwasser.’

 

Pas als het niet kan of niet mag, wordt het voor Herman pas echt interessant.

Terug in Almelo kwam hij een vroegere vriend tegen met twee camera’s op zijn borst en een pak aan met een KLM-wing erop. Hij vertelde dat hij steward was en liet hem die avond foto’s zien van de plekken in de wereld waar hij was geweest. ‘Dat wilde ik ook! Maar dat kon helemaal niet volgens die vriend, want je had minstens HBS nodig en ik had alleen maar grafische school.’ Toch lukt het. Door tegen personeelszaken van KLM te zeggen dat hij gestuurd was door de onderdirecteur, wat niet geheel onwaar was, aangezien die gezegd had dat Herman bij hem aan het verkeerde adres was toen hij net de deur uitkwam en naar zijn secretaresse liep. Door het reizen komt hij in contact met Aziatische kunst, met boeddha’s, met Romeinse en Griekse beelden en kocht op intuïtie alleen wat hij mooi vond.

 

Met de steeds groter wordende collectie en door zijn contacten in de Amsterdamse kunstenaarswereld wordt hij één van de meest invloedrijke Amsterdamse kunsthandelaars van de jaren zeventig tot tachtig. ‘Ik heb eigenlijk altijd de pest gehad aan verkopen. Ik vond inkopen veel leuker. Ik koop met liefde in, als een verzamelaar. Voor de verkoop had ik altijd goede mensen.’ Met een koud Leffe-biertje in zijn hand wandelt hij langs zijn wanden waar zijn eigen werken aan de muur het goed houden tussen die van beroemde en soms bevriende collega’s als Appel, Armand, César, Léger, Chagall, Motherwell of Picasso en kunstenaars van vele duizenden jaren terug. In vitrines staan Romeins glas, grafbeeldjes en vruchtbaarheidsbeeldjes van 2000 voor Christus, allemaal verzameld in zijn tijd als KLM-purser.

 

Jawlensky

In 1947 ontmoet Krikhaar Karel Appel via zijn klasgenoot en mede-Tukker Theo Wolvecamp. Hij kent het werk van de CoBrA-groep goed, maar voelt zich als kunstenaar meer verbonden met Duitse Expressionisten, met der Blaue Reiter-kunstenaars en met een schilder als Alexej von Jawlensky. Over zijn werk heeft hij nog een sterk verhaal: ‘Het is net alsof je beloond wordt voor het feit dat je interesse toont voor lang geleden overleden schilders. Ik weet nog dat er een kijkdag was bij Mak van Waay, wat nu Sotheby’s is. Bij de ingang kwam ik Freddy Heineken tegen die me zei dat we beter een kop koffie konden drinken omdat er toch niks was. Ook Herman van Veen, beter bekend als Cinco en als Hoppekop, vond het niks en adviseerde me niet naar binnen te gaan. Ik ben toch maar even gaan kijken. Er was inderdaad veel rommel, maar in een kleine kamer zag ik twee schilderijen die aan een oude kast waren gespijkerd: een schilderij van Mensje van Keulen en een ander schilderij met een monogram waarin je heel vaag ‘AJ’ kon lezen. Ik dacht: verdomme, dat is een Jawlensky! Beide schilderijen werden samen geschat tussen 50 en 150 gulden en onder één nummer verkocht. Ik zei toen tegen mijn maat: “Wil jij voor mij bieden. Je mag tot 20.000 gulden gaan.” Na de kijkdag ben ik het één en ander gaan onderzoeken in de bibliotheek van het Stedelijk Museum. Toen er op de veiling 11.000 gulden was geboden, werd de veilingmeester nerveus en stopte even om het werk ook van achteren te bekijken - daar stond met koeienletters Jawlensky, dat ik overigens ook nog niet gezien had - maar ging toch weer verder. Bij 20.000 gulden moest mijn maat mij natuurlijk even aankijken om te zien of hij verder mocht gaan. Uiteindelijk ben ik nog voor duizend gulden verder gegaan en heb het gekregen. Later heb ik het doek verkocht aan de een Duitse verzamelaar voor twee ton. Dat vond hij maar weinig voor een Jawlensky.’ 

  • Facebook - Grey Circle
  • LinkedIn - Grey Circle
  • Twitter - Grey Circle
  • Instagram - Grey Circle