De wandeling

Voor het kunstmagazine Collect elk nummer een wandeling met een prominent in de wereld van de kunst en antiek. Deze keer een kunsthistorische wandeling met ex-ondernemer en kunstverzamelaar Joop van Caldenborgh over Landgoed Voorlinden.

Foto's en tekst van Koos de Wilt

‘JE KOMT HIER VOOR JE PLEZIER, NIET DE ELLENDE’

Museum Voorlinden bevindt zich in Wassenaar op wat ooit een groot landgoed van 200 hectare was. Nu resteert het museum met 40 hectare en het huis van Joop van Caldenborgh met 27 hectare. Van Caldenborgh vertelt de geschiedenis terwijl hij de trap afkomt en door het drukke restaurant wandelt: ‘Voorlinden gaat terug naar de 17deeeuw. Het was altijd een buiten voor Portugese hugenoten en andere edellieden. Begin twintigste eeuw heeft jonkheer Hugo Loudon het oude huis afgebroken en hier de Britse architect R.J. Johnston een kopie laten maken van het ouderlijke huis van zijn Engelse vrouw - om het haar hier naar haar zin te maken en haar hier te houden.’ Vanuit het statige landhuis wandelt de verzamelaar het meanderende pad af langs de tuinen van de wereldberoemde tuinarchitect Piet Oudolf en een groot bronzen beeld van Armando. Van Caldenborgh: ‘Armando kende ik al sinds begin negentiger jaren. Tien dagen voor hij overleed, zijn we nog bij hem op bezoek geweest in zijn atelier in Potsdam. Hij zat weliswaar in een rolstoel, maar was heel erg bij de tijd. Tot de laatste dag heeft hij geschilderd. We hadden de gedachte om een tentoonstelling met hem te maken voor zijn negentigste verjaardag. Toen we weggingen, zei hij: “En wat doe je als ik dan dood ben?”. Ik zei toen: “Dan doen we het ook, misschien wat eerder.” En dat hebben we gedaan, compleet met zijn werkhandschoenen die hij aan had tijdens ons bezoek.‘ 

‘Voor ons is het publiek nummer 1. We hebben er alles aan gedaan om geen stoffig museum te zijn.’

Licht, veiligheid en klimaat

Na de draaideuren van het museum wandelt de verzamelaar naar rechts de bibliotheek in van de Italiaanse architect Andrea Milani, een strakke, bruine ruimte met veel licht. Van Caldenborgh: ‘Drie bouwkundig ingenieurs nam ik aan om zelf de aannemer te kunnen zijn. Ik heb me met veel dingen bemoeid. Bijvoorbeeld om de boekenruggen zo te verlichten dat het lijkt alsof de boeken zelf licht geven. Dat heeft de architect met een ontwerper uitgewerkt.’ Het blijkt niet de enige waar de oud-ondernemer zich tegenaan bemoeid heeft. Vanuit de bibliotheek wandelt hij de eerste zaal in en begint bij een foto met de Dom van Milaan van Thomas Struth te vertellen: ‘Als je een museum bouwt, zijn er drie dingen belangrijk: licht, veiligheid en klimaat. Daar hebben we heel erg op gelet. Normaal worden hier de zalen alleen met een speciaal daglicht verlicht, een diffuus licht met heel weinig schaduwen. Op het dak hebben we daarvoor buisjes van 26 centimeter schuin afgesneden zodat het noorderlicht rechtstreeks naar binnenkomt. Samen met het zuiderlicht, dat in het buisje gebroken wordt en in een hoek naar binnen valt, brengen ze een prachtig gespreid licht dat weer wordt verdeeld met een velum doek. ’s Avonds wordt het een beetje bijgelicht met led licht dat naar boven schijnt en tegen het witte dak reflecteert en zo de zaal binnenkomt. Daar heb ik mij eindeloos mee beziggehouden.’ In de zalen verder niets dat afleidt: nergens camera’s, nergens rookmelders, nergens stopcontacten of datacontacten. ‘Ze zijn er wel, maar je ziet ze niet. Als je het museum verlaat ben je door 50 camera’s bekeken, maar daar heb je helemaal niets van gemerkt.’ Ook zijn er geen lampjes van de nooduitgang te zien, die lichten alleen op als er brand uitbreekt. ‘Het museum is gebouwd onder weerstandsklasse 4, dat is de hoogste. Het Rijksmuseum heeft bijvoorbeeld maar 3. Als ons museum ’s avonds dicht is, kom je er simpelweg niet in. De ramen alleen al zijn 6,5 centimeter dik. Dat is niet alleen veilig, een extra voordeel is dat we alles van de beste musea in de wereld kunnen lenen voor onze tentoonstellingen.’

‘Kunst is kunst, waar staat geschreven dat het allemaal historie moet zijn?’

 

Kunst kopen naast het werk

In 1970 begon Joop van Caldenborgh het bedrijf Caldic, producent en distributeur van chemicaliën, voedingsingrediënten en onderdelen voor elektriciteitsopwekking. Het is goed gegaan met het bedrijf, bevestigt de ondernemer, ook tijdens de jaren dat de rest van de economie op zijn gat lag. ‘Crisis hebben we nooit meegemaakt. Als mensen thuis eten in plaats van in restaurants, dan kopen ze nog meer producten van mij, zoals Heineken ook meer bier verkocht aan consumenten thuis in mindere tijden.’ Kunst kopen deed de ondernemer altijd al: ‘Als andere mensen gingen golfen of televisie kijken, ging ik kunst kijken. Voor mijn werk reisde ik veel en kwam daardoor veel in de VS en het Verre Oosten en ik heb altijd geprobeerd om tussentijds kunstenaars of galeries, musea te bezoeken. Ik ben als geïnteresseerde bij Andy Warhol in de Factory geweest en hem de hand geschut. Ik noem mezelf nooit verzamelaar, dat klinkt zo hebberig. Schoonhoven was een van de eerste kunstenaars die ik al heel vroeg kocht. Ik kwam bij hem thuis en heb zelfs een keer een werk gekregen als dank voor de fles jenever die ik voor hem had meegenomen. We hebben wel een stuk of zestig werken van hem in de collectie. Ik kocht kunst voor boven de bank, tot ik rond mijn veertigste moest constateren dat de werken in rijen tegen de wand stonden. Dan weet je dat je tot het illustere gezelschap van verzamelaars bent doorgedrongen. Nog steeds bezoek ik graag een ochtend of middagje kunstenaars en zwets dan wat over de kunst en over het leven. Dat is een heel fijn contrast en aanvulling op het werk dat ik deed. Kunstenaars kijken anders naar de wereld dan ik en dat maakt ze interessant. Ik ben meer een mathematische denker.’

Van Caldenborgh wijst naar eenbouwwerk van dunne staafjes roestvrij staal dat lijkt op een enorm spinnenweb. Van dichtbij is er een menselijke figuur in te zien: ‘In de jaren tachtig heb ik voor het eerst Antony Gormley ontmoet. Het is een hele aangename man om mee te praten en die ook interessante ideeën heeft over hoe de wereld in elkaar steekt en de rol van de mens erin. Door de jaren heen heb ik een soort vriendschap met hem ontwikkeld en heb ook een redelijk aantal werken van hem in de collectie. Dat geeft ons de gelegenheid om er een tentoonstelling over te maken in 2020.’

 

‘Ik noem mezelf nooit verzamelaar, dat klinkt zo hebberig.’ 

Kopen en tentoonstellingen maken

Zoon Olav, die al sinds 2006 de leiding voert over Caldic, nam het in 2017, met als meerderheidsaandeelhouder de zakenbank Goldman Sachs, over. Alle tijd dus voor vader om zich nog meer met kunst bezig te houden: ‘Op dit moment doe ik niks anders. Ik mag helpen bij het bedenken van de tentoonstellingen, maar het wordt gedaan door Suzanne Swarts en haar team. Ik ga graag mee, maar blijf op afstand. Zo heb ik dat ook altijd gedaan bij de bedrijven die ik in de wereld had. Ik ben de verzamelaar en ik koop de kunst. Suzanne Swarts heeft daarnaast een eigen budget waarbij de afspraak is dat Suzanne er niet met mij over mag praten. Zij koopt zelfstandig wat zij goed vindt. Zij is jonger en bevindt zich vaker in de hedendaagse scene. Eens in de drie maanden komen we in onze opslag samen en laten dan zien wat we hebben aangeschaft en verrassen elkaar. Dat gaat heel erg goed.’ 

In Voorlinden zijn er eigen ideeën over hoe je tentoonstellingen maakt, vertelt Van Caldenborgh nadat hij door een ruimte vol lampjes en spiegels is gelopen van de Chinese kunstenaar Song Dong: ‘Toen ik ooit een tentoonstelling wilde maken bij Boijmans van Beuningen stelde de toenmalige directeur Chris Dercon voor een soort psychoanalyse van de verzamelaar te maken. Daar was ik niet echt gelukkig mee, maar er klopt natuurlijk wel wat van. In de tentoonstelling die toen werd gemaakt, herkende ik mij niet helemaal. Er waren 800 werken, veel teveel en het gaf een chaotische weerslag van de collectie. Ik wil hedendaagse kunst verzamelen die steeds in het nu gemaakt wordt, dat heb ik altijd gedaan en dat is inderdaad nogal divers geworden tegenwoordig. Maar dat hoeft helemaal niet zo in tentoonstelling tot uitdrukking te worden gebracht. Ik wil al die gedachten in de hedendaagse kunst verzamelen en dat dan in tentoonstellingen ordenen.’ 

Nooit een eigen museum

Het was nooit een droom geweest om een eigen museum te hebben, zo vertelt de verzamelaar kuierend door een enorm geroest sculptuur van Richard Serra: ‘Tijdens mijn praatje bij de overzichtstentoonstelling in 2010 heb ik dat nog gezegd. Maar het maken van de tentoonstelling in de Kunsthal vonden Suzanne en ik zo leuk dat het iets wakker heeft gemaakt bij ons. Toen zijn we gaan nadenken over een “tentoonstellingsgebouw”, we hadden het toen ook nog helemaal niet over een museum. Daar kwam bij dat als je wat ouder wordt, je gaat denken over wat er gaat gebeuren met de collectie als je er niet meer bent. Of je doet niks en zadel je je kinderen ermee op. Ik heb er zes en dat is een heel gedoe dan. Je kunt het ook aan een museum geven, maar dan verdwijnt heel veel van je collectie naar de kelder. Nu kunnen we alles uit de kelder halen om er zelf tentoonstellingen mee te maken. Bij de tentoonstelling in de Kunsthal zei de directeur van Boijmans tijdens zijn speech nog dat ik nooit een eigen museum zou moeten beginnen. Misschien is het wel wat aanmatigend, maar ik moet zeggen: het bevalt prima. We hebben nu 140 mensen op de loonlijst en het is een heel bedrijf geworden. Dat had ik niet bedacht, maar zo is het ook gegaan met mijn bedrijf. Wij krijgen geen subsidie en het lukt ons aardig om het te runnen met kaartjes, het restaurant en de winkel. Daar zijn we trots op.’

Van Caldenborgh begroet de gasten van het museum, veel mensen achterlatend met de gedachte: is dat niet de oprichter van het museum? Ondertussen legt hij uit hoe tentoonstellingen behoren te zijn in Voorlinden: ‘Op onze zalen is het nooit te vol, we zoeken altijd samenhang tussen de werken - in kleur, in vorm of in materiaal. We hangen niets chronologisch op en ook nooit op naam. Ik koop alleen werken die ik goed vind en dan kom je automatische bekende namen tegen, maar dat hoeft helemaal niet, of nog niet. Hier hangt bijvoorbeeld de twee blauwe overallen van het Italiaanse echtepaar Ornaghi & Prestinari. Zij maakten de echte overall na in wol, gebreid van fijne draden. De verfspetters borduurden zij met garen zorgvuldig op het duplicaat. Dat werk hangt naast Manzoni en Elsworth Kelly, allebei blauw werk. In onze tentoonstellingen brengen we onze eigen orde. Ik vind dat er heel wat af gezwetst wordt in de kunst. Ik lees graag, maar voor kunst hoef je helemaal geen dikke boeken te lezen, alleen maar te kijken. Je komt hier ten slotte voor je plezier, niet de ellende. Elk half jaar vervangen we alle werken, er zijn maar een paar werken die er altijd staan. We hebben voldoende om uit te putten. Ik ben er niet op tegen dat andere musea hun werken in alfabetische of chronologische volgorde ophangen. Wij doen dat minder, zelfs bij Armando hebben we niet gedaan. Wij denken dat we ons publiek zo bij de les houden. Bovendien, kunst is kunst, waar staat geschreven dat het allemaal historie moet zijn?’

Nummer 1 is het publiek

Wat staat het museum voor? ‘Voor ons is het publiek nummer 1. We hebben er alles aan gedaan om geen stoffig museum te zijn. Bij ons geen suppoosten in pak die verveeld op een krukje met hun telefoon zitten te spelen. Bij ons zijn het jonge mensen, die geïnteresseerd zijn in wat we doen. Ze mogen hun eigen kleren aandoen zolang het maar zwart is. Mijn voorbeelden zijn het Louisiana Museum of Modern Art in Kopenhagen, de Menil Collection in Houston en Fondation Beyeler in de buurt van Basel. Ook het Gemeentemuseum in Den Haag, waar ik vanaf mijn vijftiende veel kwam, was mijn voorbeeld. Fuchs heeft daar in zijn tijd alles weer op zijn plaats gehangen, dat is nu weer wat minder.’ Het Stedelijk lijkt minder een voorbeeld te zijn geweest voor de verzamelaar. ‘Ik vind niet dat ze het bij het Stedelijk zoveel minder doen, ze hebben een geweldige naam in de hele wereld opgebouwd. Ik denk eerder dat anderen in de wereld het zoveel beter zijn gaan doen. Ze denken daar anders en hebben misschien ook andere budgetten. Gelukkig zijn er veel toeristen in Amsterdam en dragen veel Amsterdammers het museum een warm hart toe. Het komt allemaal wel weer goed. Wat ik matig vind in het Stedelijk, is de tentoonstelling in de kelder. Sowieso vind ik de kelder niet de plek voor je collectie. Ook alles tegelijk laten zien werkt naar mijn idee niet, je ziet dan eigenlijk niks meer. Dat is natuurlijk een smaakkwestie. Ik vind dat wanden en ruimtes dienend moeten zijn aan de kunst en niet andersom.’ 

Aan het einde van de wandeling, neemt de verzamelaar zijn gast mee de kelder in van Museum Voorlinden. Van Caldenborgh:  ‘We staan op een vloer van twee meter beton en 360 palen. Hier gaat het om de derde peiler, naast licht en veiligheid wordt hier namelijk gezorgd voor een ideaal klimaat. Hier beneden halen we het stof uit de lucht en doen we aan de luchtvochtigheid. Overal in het museum is het 21 graden plus of min een halve graad en is er een luchtvochtigheidsgraad van vijftig procent, plus of min 1 procent, dag en nacht.’ Helemaal aan het einde van de gang tussen de enorme blauwe machines hangt een eenzaam schilderij met een blauwe lucht met wolken van Magritte uit 1931, ‘La malediction’, ofwel ‘de banvloek’. Ook hier dus kunst in de kelder, maar zeker niet teveel en zelfs hier is het werk afgestemd op de kleuren. ‘Dat vonden we wel passen.’

 

KAJ-feb19-1-753x1024.png
  • Facebook - Grey Circle
  • LinkedIn - Grey Circle
  • Twitter - Grey Circle
  • Instagram - Grey Circle