Bezit en betekenis

 

Ontwerper Jan des Bouvrie (1942)

 

‘Ik vind ’t het leukst waar ik ben’

 

Wat is de herkomst en de rol van geld in zijn leven. Wat doet en deed bezit en wat is betekenis ervan naarmate je ouder wordt? We vragen het Nederlands bekendste ontwerper Jan des Bouvrie. Koos de Wilt voor Wijzer, een magazine voor private banking klanten van Rabobank

 

Bijna vijfenzeventig is de ontwerper inmiddels, maar zijn ambities zijn nog hetzelfde, zegt hij een sigaartje opstekend in zijn ruime, overwegend witte werkkamer: ‘Ik ben eigenlijk nog steeds die jongen die op zijn negentiende na de nijverheidsschool bij zijn ouders in de zaak is gaan werken. Nooit heb ik erover nagedacht wat ik wilde bereiken. Ik wilde gewoon mooie dingen maken, nadenken over tafels als het belangrijkste object in een woning, over open keukens, over licht maken in interieurs, over hoe wonen en werken kunnen aanvoelen als een hug. Dat doe ik nog altijd, ik kijk nooit terug en ben nog steeds zo blij als een kind met een opdracht. Na de middelbare school wilde ik maar een ding: naar de kunstnijverheidsschool, de tegenwoordige Rietveld Academie. Een week lang zat ik bij de brievenbus te wachten. Zielsgelukkig was ik toen ik werd aangenomen. Mijn klasgenoten waren jongens als Wim T. Schippers en Ger van Elk. Net als Ger was ik zoon van een middenstander met een Goed Wonen-winkel. Ed moest eigenlijk de winkel in, maar hij wilde niet. Ik wel.’

'Ik heb nooit heb ik erover nagedacht wat ik wilde bereiken. Ik wilde gewoon mooie dingen maken'

Bezoekers van Het Arsenaal in Naarden-Vesting wandelen een ronde langs de binnenplaats van het voormalig wapenarsenaal, zo doorkruisen ze het ene interieur na het andere, onderbroken door een ruimte waar papieren uitdraaien van ontwerpen verspreid over de grond liggen. Hier is de ontwerpafdeling waar zeven collega’s druk bezig zijn met allerlei projecten. De modelinterieurs zijn allemaal verschillend van sfeer, maar een ding komt in alle ruimtes overeen: overal hangt duidelijk aanwezige kunst aan de wanden, van iconische foto’s van celebrities tot felkleurige abstracte schilderijen. Met kunst wordt een interieur geladen, zo weet Jan des Bouvrie: ‘Kunst doet iets met mensen.’ Zelf heeft hij er ook eindeloos veel van. Overal waar hij kwam, al vanaf de tijd dat hij met beste vriend en topkok Gerard Fagel over de wereld zwierf, kwam hij kunstenaars tegen, van degenen die hij interessant vond kocht hij altijd wel iets. Om er later ook weer afscheid van te nemen. Des Bouvrie: ‘Op een gegeven moment had ik teveel, daarbij speelde dat ik het geld nodig had voor mijn bedrijf. Daarom heb ik tot twee keer toe mijn kunstcollectie geveild, een keer bij Sotheby’s en een keer bij Christie’s. Later heb ik de mooiste werken weer teruggekocht. Een paar werken heb ik altijd bij me gehouden, zoals het eerste werk van mijn klasgenoten Wim Schippers, iets met een Perzisch tapijtje en ‘Adieu Jan’ van Ger van Elk.’

 

Hier op kantoor en in zijn huizen in Nederland en Frankrijk, overal laat hij zich omringen door kunstwerken. Toch heeft hij er lange tijd maar weinig aandacht aan gegeven, zo bekent hij. ‘Toen ik een paar jaar geleden in het Singermuseum een tentoonstelling had van mijn meubelen en kunst, mocht ik een ochtend voor openingstijd in alle rust door de zalen lopen. Ik ontdekte dat ik de meeste kunstwerken nog nooit echt goed bekeken had, hoewel ik het geweldig vond allemaal. Blijkbaar was ik meer bezig met verzamelen dan ervan te genieten. Dat doe ik tegenwoordig wel. Het is iets dat meer verzamelaars hebben. Een van Nederlandse grootste verzamelaars, Frits Becht verzamelde oude klokken. Samen met Paul Huf was ik een keer bij hem thuis en heb toen, voor de grap, op de schoorsteen zo’n klok omgedraaid. Drie maanden later was ik weer bij hem en die klok stond er nog steeds zo bij.’

'Je moet kunst kopen van je eigen tijd, van levende kunstenaars, vind ik. Ook betaal je daar vaak niet zoveel voor.'

Enorme bedragen zal Des Bouvrie niet betalen voor kunst: ‘Sommige van mijn klanten met veel geld leggen er waanzinnige bedragen voor neer. Je moet kunst kopen van je eigen tijd, van levende kunstenaars, vind ik. Ook betaal je daar vaak niet zoveel voor. Met Frits Becht ruilde ik ooit een bijzettafeltje voor een Jan Schoonhoven, die letterbak brengt nu twee ton op. Ook kocht ik een Fontana van hemzelf, zo’n werk brengt tegenwoordig op veilingen zomaar vier a vijf miljoen op. Goed voor mijn oude dag. Ooit had ik er acht hangen, toen ik tijdelijk de galerie had overgenomen van mijn vriend Herman Krikhaar, de kunsthandelaar, die een paar jaar in Parijs wilde wonen. Het huis van diezelfde kunsthandelaar had ik een keer ingericht, maar de betaling liet op zich wachten. Dat ging om zo’n dertigduizend gulden, een heleboel geld in die tijd. Na een tijdje zei hij: “Kies maar wat uit de galerie.” Ik wees naar een heel mooie vaas van Picasso. Dat is ons hele leven een running gag gebleven, dat ding is inmiddels onbetaalbaar.’ Naast kunst is de ontwerper dol op auto’s. ‘Ik verzamel auto’s uit zes verschillende landen en het fascinerende vind ik dat je de tijd kunt aflezen aan die auto’s. Ik rijd mijn hele leven al Porsche. Wanneer je die na vijf jaar weer inlevert, krijg je er nog een hele mooie prijs voor terug. Bovendien vindt iedereen het leuk als ik met die auto kom aanrijden, het is een stoute jongens auto. Heel anders als dan een Maserati.’

'Iedereen het leuk als ik met mijn Porsche kom aanrijden, het is een stoute jongens auto. Heel anders als dan een Maserati.’

Net als zijn vader voelt Des Bouvrie zich half koopman en half kunstenaar. ‘Ik weet nog dat ik bij hem in de zaak kwam werken en een paar mooie Eames stoelen mocht neerzetten die ik van de fabrikant in consignatie had gekregen. Ik zette ze met een bos rozen op een marmeren tafeltje. Het zag er schitterend uit, maar vader zette daar de volgende dag een rol linoleum bij met een bordje ‘20 gulden per strekkende meter’. Het verschil in aanpak was dat ik keuzes maakte. Ik verkocht die stoelen voor 1.600 gulden per stuk aan de directeur van IBM. Dat was niet gelukt als die rol linoleum ernaast was blijven staan.’ In de zaak van zijn ouders leerde hij omgaan met klanten, daarna is hij meubels gaan maken voor particulieren en voor bedrijven, vervolgens kwamen er verbouwingen en nu zijn het vooral totaalprojecten waar Des Bouvrie zich op richt. ‘Onlangs bezocht ik het huis van Charles en Ray Eames in LA, een geweldige staalconstructie met panelen die zijn geïnspireerd op Mondriaan. Opvallend is dat ook de tuin onderdeel uitmaakt van het geheel, precies op die manier ben ik ook gaan werken.’ Inmiddels bestaat zijn werk voor een groot deel uit deze totaalprojecten. Zijn portfolio is divers: modernistische huizen, een koloniaal woonhuis, appartementen aan een golfbaan, interieurs voor particulieren in Nederland en in Frankrijk. Maar ook de interieurs voor de kamers in de Euromast, het PSV stadion en het software bedrijf Unit 4. ‘Voor dit laatste project maakte ik een schetsje en kreeg ik per direct de opdracht.’

 

Des Bouvrie ervaart het als een groot geluk dat hij zowel een zakelijke als creatieve kant heeft. ‘Ik wilde een keer een van de bank een lening loskrijgen van zeven ton, maar die kreeg ik niet. Tot de bankdirecteur bij me langs kwam voor een Eamesstoel. Ik stelde voor de stoel op zicht langs te brengen. Tot half een ’s nachts ben ik bij hem thuis met die stoel aan het zeulen geweest. Aan het eind van de avond vroeg hij: ‘Hoeveel heb je nodig? Zo werken die dingen, ik denk er niet eens bij na. Kort geleden kreeg ik hier mensen binnen voor wie ik een huis mocht bouwen, leuke mensen, maar die kregen de financiering niet rond. We hebben een ontwerp gemaakt waarmee we naar de bank zijn gegaan, de financiering was in no time geregeld. Het werd duidelijk dat ze serieus met mij aan de slag waren, bij de bank dachten ze: dat komt wel goed.’ Zaken en privé lopen bij de ontwerper altijd door elkaar. Begin jaren negentig zat hij in Glamourland, het befaamde televisieprogramma waarbij Gert-Jan Dröge allemaal chique feestjes bezocht. Als Des Bouvrie in beeld kwam, klonk steevast een opgewekt: ‘Hallo. Daar zíjn we weer!’, iets wat velen zich nog goed kunnen herinneren. Des Bouvrie: ‘Dat zinnetje heb ik zelf bedacht. Ik genoot van die avonden, of het nu wel of niet was goed voor de business, daar dacht ik niet eens over na. Trouwens, ik heb alleen maar leuke klanten.’

 

‘Het enige wat je hoeft te doen in je leven, is je goede energie doorgeven. Die wordt weer opgepakt en meegenomen door anderen.'

Nu hij ouder is, gaat het in het leven van de ontwerper steeds meer over doorgeven: ‘Het enige wat je hoeft te doen in je leven, is je goede energie doorgeven. Die wordt weer opgepakt en meegenomen door anderen. Gisteren gaf ik een lezing op een van de twee Jan des Bouvrie designopleidingen, daar vroeg ik de eerstejaarsstudenten of ze ontwerpers kenden van voor de oorlog. Iedere ontwerper heeft een leermeester, een groot voorbeeld. Voor mij waren dat Le Corbusier en Rietveld. Die kenden de studenten niet. Ik vertelde ze dat ik op de kunstnijverheidsschool nog les heb gehad van Jan Rietveld, de zoon van Gerrit. Op een keer leverde ik een tekening bij hem in van een kinderkamer, die hij aandachtig bekeek. Hij zei: ‘Fantastisch, maar als je alles weglaat, ziet het er een stuk beter uit.’ Dat was de beste les die ik ooit heb gehad. Studenten moeten naar tentoonstellingen, oude en jonge kunst zien. Daar kun je herkennen hoe Berlage aandacht had voor de details, hoe Rietveld het hele denken over vormgeving op zijn kop zette en hoe Mondriaan zijn Boogy Woogy heeft gemaakt met allemaal plakkertjes. Daardoor krijg je gevoel voor vorm, sfeer en materiaal. Juist ouders moeten hun jonge kinderen meenemen naar musea. Kinderen zien veel meer dan je denkt. Na een museumbezoek gaan ze hun eigen kamer ontwerpen.’

 

Het gaat goed met de ontwerper, ook met zijn belangrijkste bezit, zijn gezondheid: ‘Vanaf je zestigste beginnen de zeertjes en krijg je een pilletje voor het een en ander. Mijn vrouw Monique heeft dat ook aan de hand gehad. Het is goed dat je meteen optreedt als er iets is, direct in de basis aanpakken.’ Ook zakelijk heeft de ontwerper geen klagen. ‘Al gaat het economisch goed met dit land, ik moet zeggen dat ik nog nooit een tijd heb meegemaakt die zo onzeker aanvoelt als nu. Klanten die een schuilkelder onder de grond bouwen of een twee huis in Canada en Australië kopen, het gebeurt nu. Als oorlogskind voel ik de onrust. Toch handel ik daar niet naar want ik heb er geen invloed op. Dus ik leef gewoon door. Kort geleden was ik met vrienden in Londen, waar een vrouw klaagde dat ze Parijs veel leuker vond. Ik zeg in dat soort gevallen: ‘Ik vind ’t het leukst waar ik ben.’ Het is deze positieve inslag die hij tot het einde wil vasthouden: ‘Vorig jaar werd de Italiaanse ontwerper Silvio Gazzaniga, de ontwerper van de wereldbeker, op zijn 95e dood in zijn bed gevonden. In zijn hand had hij een papiertje met daarop een tekeningetje voor een nieuw ontwerp. Zo wil ik ook worden gevonden.’ (2017)

  • Facebook - Grey Circle
  • LinkedIn - Grey Circle
  • Twitter - Grey Circle
  • Instagram - Grey Circle