‘Ik zie kunst als tussenstand van de beschaving’

‘Mijn grote affectie voor kunstenaars - en of het nou een lul is of een aardige vent - is hun onafhankelijkheid. Daar ben ik dan ontzettend jaloers op’.

Interview: Koos de Wilt voor Passie voor Kunst

Ik neem kennis van de oude kunst als vorm van beschaving en een beetje uit nieuwsgierigheid, maar mijn nieuwsgierigheid en opwinding bij moderne kunst is groter. Ik beweeg me graag in kunstenaarskringen en krijg op die manier wat mee. Mijn vrouw en ik hebben thuis ook veel hangen: van Kees de Goede, Dirk Andriessen, Han Schuil, Robert Zandvliet, Eli Content, allemaal redelijk jonge Amsterdamse kunstenaars. Ik ga ook graag naar de Saatchi Gallery in Londen; dat vind ik dan ook echt spannend. De geschiedenis heeft natuurlijk al lang bepaald dat Rembrandt één van de grootste schilders is die ooit geleefd heeft. Toch voel ik daar veel minder bij dan bij een nieuwe expositie van Han Schuil. Ik kan dat niet goed uitleggen. Ik ben heel lang chef van de kunstredactie geweest bij Het Parool en vind schrijven over beeldende kunst en muziek één van de moeilijkste dingen die er zijn. Als je dát kan, zonder je tot een zeer select publiek te richten en zonder tot een paar fijnproevers te spreken, dan kun je echt wat. Eigenlijk kan ik dat ook niet. Het is bij mij allemaal intuïtief en een kwestie van smaak. Het gaat om de opwinding van: ‘Dit gaat weer een stapje verder’ of ‘Nu gaan we naar dit soort kunst toe’. Ik laat me graag leiden door wat Nederlandse en buitenlandse kranten daarover schrijven en lees met plezier wat kunstenaars te vertellen hebben. Dat is soms iets waaraan ik me erger. Wat dan weer vaak een prettige prikkel is waardoor ik ze kan gaan bewonderen. Wat je nu ziet is een totale democratie in kunst. Het is een onzekere tijd, anarchistisch bijna. Het witte doek is al geweest. Alles kan en dat vind ik juist het fascinerende. Een badkuip met potje stroop is eigenlijk flauwekul, maar als Saatchi zegt dat kunst is, dan is het kunst en ben je een gezaghebbend kunstenaar. Daar zit een gekte in, maar ook een kern van smaak, van kunstgeschiedenis en ook dat dat van belang is. Dat hoort bij het moderne kunstlandschap en dat is het aantrekkelijke ervan. Daardoor is het een spiegel van onze tijd.

 

‘Een badkuip met potje stroop is eigenlijk flauwekul, maar als Saatchi zegt dat kunst is, dan is het kunst en ben je een gezaghebbend kunstenaar.’

 

Bij praten over kunst hoef ik niet te fronsen. Ik praat erover alsof ik over voetbal praat. Dat is even vanzelfsprekend, zeker met bepaalde vrienden. Kunst en voetbal, die onderwerpen wisselen elkaar moeiteloos af. We hebben met z’n allen bepaald dat hoge kunst bestaat uit Sjostakovitsj en Schönberg en lage kunst uit popmuziek. Maar praten over Andy Warhol, ansichtkaarten, foto’s in de kranten anderzijds over Rembrandt van Rijn doen we met dezelfde geestdrift en in dezelfde tone of voice. Als Han Schuil bijvoorbeeld zegt dat hij verkeersborden van ‘niet inrijden’ of ‘eenrichtingsverkeer’ schitterende schilderijen vindt, dan maakt die opmerking dat je nog een keer kijkt en denkt: ‘Verdomd, je hebt gelijk!’. Maar om nou te zeggen dat het dan van dezelfde orde is als de Nachtwacht gaat mij ook te ver. Academische baldadigheid is mij niet vreemd, maar dat kan ik niet helemaal waarmaken.

 

De kunst is een soort spiegel van alle indrukken die je opdoet in de wereld, zoals je dat ook hebt bij politiek en televisie. Maar dan minder direct dan de journalistiek en de TV. Dat maakt het zo veel interessanter. Op dit moment heb ik wel de indruk dat het allemaal iets te cerebraal is geworden, iets te los van de dingen op straat. Dat ligt ook aan de generatie. Rudi Fuchs bijvoorbeeld is van de oude generatie en heeft zelf iets celrebraals. Hij is dus wel helemaal trouw aan zichzelf. Natuurlijk heeft die man grote kwaliteiten, maar ik vind dat de kunst tegenwoordig wel wat meer opwindend is dan wat hij toont. Op zich allemaal interessant, maar ik merk bij mezelf een stuk ongeduld. Dan denk ik: ‘Maak nu eens een grote tentoonstelling van die jonge kunstenaar. Misschien is hij het nog net niet, maar kies eens. Misschien vind je het wel lelijk, maar hier gaat het nu wel om’. Zoals Wim Beeren ooit Jeff Koons heel groot presenteerde. Dat ging in die tijd dáár om, dat was de tijdgeest. Bij een museum gaat het over het conserveren van datgene wat je mooi vindt, daar is geen plaats voor de waan van de dag en het is er zelfs al uitgefilterd. Maar wat mij betreft zouden musea veel meer de waan van de dag moeten toelaten dan ze nu doen. Rob Scholte kwam op in een tijd die misschien wel veel creatiever was dan nu. Die creativiteit stond ook dichter bij de samenleving: Het wilde nachtleven, de cocaïne, het boek Gimmick van Zwagerman… In mijn beleving was het Stedelijk daar toen veel meer een vrijplaats voor. Koons en Scholte brachten allemaal dingen van de tijd en dat voelde je ook op je klompen aan. Ik weet niet of Koons een groot kunstenaar is, maar ik vermaakte me er ontzettend bij. Ik vond het geestig en je ging kijken en er werd over gepraat.

‘Koons en Scholte brachten allemaal dingen van de tijd en dat voelde je ook op je klompen aan. Ik weet niet of Koons een groot kunstenaar is, maar ik vermaakte me er ontzettend bij.’

Toen ik nog leiding gaf aan de kunstredactie van Het Parool, gaf ik altijd voorrang aan jongere kunst. Ik was toen zelf ook hartstikke jong en nam het dus ook een beetje op voor mijn eigen generatie, een beetje overspannen zelfs. Het was allemaal zo ontzettend arrivé, je kon toen pas een kunstbijlage openen als je Harry Mulisch heette. Ik deed Giphart op de voorpagina. Andere kranten zijn van lieverlee ook popmuziek op de covers van hun bijlagen gaan plaatsen en hebben ontzettend veel opgestoken van Het Parool in het maken van een goede kunstbijlage. Ze waren veel te esoterisch. De NRC is op dit moment nòg elitair en dat hoort ook bij de doelgroep van die krant. De nieuwe Horatius-vertaling beslaat de voorpagina bij het Culturele Supplement bij de NRC. Dat zou ik bij Het Parool nooit hebben gedaan. Wij wilden voorop lopen, met cabaret en stand-up comedians bijvoorbeeld. We zijn in die tijd gelijk naar Amerika gegaan om te zien hoe men het daar deed. Je ziet nu wat het is geworden. Daar gaat het mij om en natuurlijk had ik het geluk dat ik paste bij die krant. Er is een soort journalistiek vakmanschap dat zegt dat ik het ook zou moeten kunnen bij de NRC. Ik denk ook dat ik het kan, maar niet met de geestdrift die ik bij Het Parool kon uiten. Die krant paste mij als een jas. Het Parool is een populaire kwaliteitskrant die door de professor en de stratenmaker gelezen moet worden en bij die opdracht heb ik me altijd thuis gevoeld. Omdat ik niet echt aan het stuur zit, heb ik het nu een stuk moeilijker bij Nederland 3, maar ik wil eigenlijk wel hetzelfde doen bij de VPRO. Nederland 3 heeft een cultureel stempel, het is de zender die het minst bekeken hoeft te worden. Maar wat je nu ziet, is dat ze eronder zakken. De kunst is dat je zonder enig populistisch niveau, maar heel intelligent opererend, met dezelfde inhoud toch meer mensen bereikt. Zo heb ik het bij de krant ook gedaan. Van het programma van Michaël Zeeman vindt men dat het er hoort te zijn. Daar kijken nu 100.000 mensen naar. Maar ik garandeer je dat je met dezelfde boeken, op dezelfde serieuze manier behandeld, driemaal zoveel kijkers kunt bereiken. Om te beginnen door een andere presentator te kiezen.

‘Als ik met een kunstenaar in zijn atelier ben en zie wat ze maken, geheel onafhankelijk, dan fascineert me dat en daar ben ik dan jaloers op.’

Ik vind mijzelf inmiddels wel een vakman als het gaat om het maken van een krant. Ik heb heel veel buitenlandse kranten gespeld en dat doe ik nog. Ik vind het heel leuk om een restyling van The Guardian helemaal te doorgronden. Ik ben conceptueel ingesteld en heb de illusie dat ik, zonder een letter te lezen, aan een krant kan zien of hij deugt of niet, of hij klopt. De lezer ervaart dat ook, zonder dat hij of zij het kan benoemen. Het is mijn vakmanschap om het wel te kunnen benoemen en te creëren wat ie mist. Waar staat de columnist en past deze persoon wel bij de krant? Hoe verschillend Henk Spaan en Felix Rottenberg ook zijn, deep down komen ze uit hetzelfde cluster. De krant heeft ervoor gezorgd dat ik de luxe heb dat ik voor veel verschillende dingen gevraagd word. Ik maak dat televisieprogramma, ik schrijf nog wat in Het Parool, ik maak samen Henk Spaan het blaadje Hard Gras. Ik leef in een luilekkerland op dit moment. Maar soms wel onder grote druk hoor. Bij Het Parool was het niet gemakkelijk. Bij wat ik nu moet doen bestaat minder druk - het publiek heeft geen benul van hoe dat werkt en dat is maar goed ook - maar voor mijzelf heb ik daar wel een rol te vervullen. Ook als het niet lukt, wil ik wel duidelijk maken waarom het dan niet lukt. Het moet echt veranderen, want Hilversum is natuurlijk zo rot als een mispel. Eigenlijk zou mijn generatie dat moeten veranderen. Ik ben daar de jongste van het hele spul. Ik ben de enige die geen pak draagt, althans niet elke dag. Ik garandeer je: Over een paar jaar gaan mensen over Hilversum zeggen: ‘Wat is dat eigenlijk voor een gedoe daar? Daar gaat geld van mij heen, terwijl ik al lang kijk naar RTL en SBS6. Wat doen ze eigenlijk met die miljard gulden?’ Er zijn twintig zendgemachtigden, dat heeft niets te maken met de maatschappij waarin wij leven. Natuurlijk moet er een publieke omroep blijven bestaan. Als je naar de commerciëlen kijkt dan zie je dat het niet continue van nieuws garandeerd is, dat er niet echt fatsoenlijke documentaires meer zijn, dat er - behalve Barend en van Dorp - geen goede achtergronden en analyses meer zijn, geen spelletjes meer zijn voor mensen die ouder zijn dan vijftig jaar etcetera. Maar of je dat vanuit deze context moet doen, dat lijkt mij niet.
 

Eén van de essenties van mijn hoofdredacteurschap bij Het Parool was lef, moed. Het kon namelijk mislukken. Datzelfde geldt nu. Je gaat iets zeggen waar niet iedereen het mee eens is. Het moet ook, want zoals het nu gaat, gaat het niet goed. Een paardenmiddel is gewenst, want volgens de geleidelijke weg gaat het niet meer. Er moet rigoureus een trendbreuk komen en als je daar de leiding voor je rekening neemt, dan stel je je heel kwetsbaar op. Dan moet je heel veel zelfvertrouwen hebben en heel goede kompanen. Mijn kracht ligt erin om met een aantal mensen iets voor elkaar te boksen. Tussen droom en daad staan heel veel praktische bezwaren en wetten. Die praktische bezwaren liggen vaak bij de mensen met wie je het moet doen. Als ik met een kunstenaar in zijn atelier ben en zie wat ze maken, geheel onafhankelijk, dan fascineert me dat en daar ben ik dan jaloers op. Mijn grote affectie voor kunstenaars - en of het nou een lul is of een aardige vent - is hun onafhankelijkheid. Daar ben ik dan ontzettend jaloers op. Ik verbeeld me dat ik ook creatief ben en dat ik het leuk vind om nieuwe dingen te bedenken, maar dat doe ik dan als gebonden kunstenaar. Zij zijn volstrekt onafhankelijk en hebben nooit met iemand iets te maken. Ik vind dat inspirerend, maar dat wil ik uiteindelijk niet. Daar ligt mijn kracht ook niet. Ik zoek ook contact met zoveel mogelijk kijkers en lezers. Picasso wordt gezien als een van de grootste kunstenaars van de vorige eeuw en daar is wel wat voor te zeggen. Naar hem kijken miljoenen mensen. De grootste schrijver van de vorige eeuw was volgens de smaakmakers, de opinion-leaders, de literaire critici James Joyce en die wordt door geen hond gelezen. Zelf lees ik ook veel liever Philip Roth en Richard Ford. Die lees ik sneller uit en daar ben ik meer door geboeid. Maar ik ben wel razend nieuwsgierig naar het verschijnsel Joyce en neem daar dan ook graag kennis van. Ik houd de literatuur goed bij, met name de Amerikaanse literatuur en dan zie je dat er een capita selecta is, een soort pantheon voor grote schrijvers waar Joyce en Proust ook in zitten. Ik deel niet zo blind de manier waarop de cultuurgeschiedenis zijn helden aanwijst. Ik kijk ook naar Rembrandt en zie: ‘dat is mooi’, maar ik heb meer plezier, woede en geluk bij een expositie van een jonge kunstenaar in New York.

 

‘Laat mij maar gewoon een potje voetballen met een paar vrienden, erover lullen en een beetje dronken worden.’

Ik kom graag en vaak bij de Kring, maar eigenlijk ben ik nergens zo gelukkig als op de voetbalkantine van mijn zoon, met die vaders, met een bak soep een beetje ouwehoeren over de krant van gisteren. Ik vind het allebei leuk omdat ik wil weten hoe de wereld in elkaar zit. Daarom ben ik net zo nieuwsgierig naar Amsterdam-Noord als de Concertgebouwbuurt. Ik zie dat niet als twee verschillende werelden. Er is zo veel snobisme. Ik vind dat je gewoon normaal moet doen. Laat mij maar gewoon een potje voetballen met een paar vrienden, erover lullen en een beetje dronken worden. Soms eet ik in een duur restaurant met ze en soms een broodje shoarma. Oog voor het detail, voor de trivialiteiten in het leven, hoort er als van zelfsprekend bij. Eigenlijk denk ik daar nooit over na. De journalistiek, de kunst en de geschiedenis zijn altijd zo cerebraal geweest. Daar is iets voor te zeggen, maar om de geschiedenis en de kunst te laten leven en te begrijpen, heb je die andere feiten ook nodig. En die lenigheid kan ik ook gebruiken in mijn werk.

Boek over wat mensen hebben met kunst

Voor het boek ‘Passie voor kunst’ en het AVRO-televisieprogramma ‘Liefhebbers’ interviewde Koos de Wilt prominente Nederlanders uit de wetenschap, politiek, het bedrijfsleven over de kunst. Hieronder het interview met journalist H.J.A. Hofland over journalistiek, kunst en zijn passie voor Rembrandt.

  • Facebook - Grey Circle
  • LinkedIn - Grey Circle
  • Twitter - Grey Circle
  • Instagram - Grey Circle