Martin Kers en de Hollandse traditie van landschapsschilderkunst

Inleiding voor oeuvreboek van landschapsfotograaf 

Het oeuvreboek van Nederlands bekendste landschapsfotograaf, ‘Het land van Martin Kers’ laat de Hollandse landschappen zien zoals we die al sinds de 17de eeuw kennen. Koos de Wilt schreef er een essay voor over de Nederlandse manier van naar het landschap kijken. Lees hieronder het essay.

Martin Kers is, in al zijn veelzijdigheid, toch vooral dé fotograaf van het Nederlandse landschap. Martin Kers leerde de Nederlander over de schoonheid van het alledaagse, die schuilt in het landschap, de luchten, het licht, maar ook in de talrijke details die Kers tegenkomt op zijn reizen. Nu, ruim vijfentwintig jaar later na zijn doorbraak, is het tijd voor een groots overzicht van de beste Nederland-foto's van Martin Kers. Bestel hier het boek

Jacob van Ruisdael, Gezicht op Haarlem, 1672.

WE LEVEN IN EEN LAND WAAR WE MAAR NIET WENNEN AAN DE MEESTAL SOMER STEMMENDE BERICHTEN UIT DE BILT, met woorden als ‘plaatselijke mist’, ‘wolkenvelden’, ‘onweer’ en ‘af en toe opklaringen’. Je zou er ook vrolijk van kunnen worden als je je ogen de kost wilt geven. Vanaf de snelweg of het spoor bekeken, leveren deze weerberichten vaak vergezichten op die we zouden willen inlijsten. Als we die momenten maar eens wisten te vangen. In de auto, maar meer nog in de trein (zonder die spuuglelijke bedrijfspanden naast de weg), heb je van die momenten. Je ontwaakt uit je mijmeringen en richt je blik naar buiten, naar het open landschap. Je ziet stralen licht door de wolken en verder alleen maar een weidsheid van veel groen. En dan ineens kun je denken: ‘Hé, een Kers-landschap.’ Intense, gifgroene weilanden, mathematisch gecomponeerde Hollandse boerenwegen of ritmische bomenrijen. Of een seizoensvariatie op een bochtige sloot in een herfstig landschap, een landschap dat een week ervoor nog een eeuwigdurende zomer leek te beloven. Of je ziet in de verte wat oranje kleurvlakken die je ogen net genoeg informatie verschaffen om er zelf dakpannen van te maken. Het zijn de beelden, zoals we die kennen van Martin Kers.

VANUIT DE TREINCOUPÉ OF ACHTER HET STUUR IS DE HORIZON MEESTAL LAAG, zo laag dat we vooral wolken zien, veel wolken en tussendoor rustgevend blauw. Zonder dat we de namen erbij hoeven te kennen, voelen we een traditie van de wereldberoemde Hollandse doeken van oude meesters als Jan van Goyen (1596-1656), Philips Koninck (1619-1688), Allart van Everdingen (1621-1675), Jacob van Ruisdael (1628/9-1682) en Meindert Hobbema (1638-1709). Museumbezoekers over de hele wereld kijken er nog steeds graag naar. Ook in hun eigen tijd waren de kunstenaars al bijzonder populair bij een groot koperspubliek. Eigenlijk vooral omdat hun beelden zo vertrouwd waren. Al vanaf Pieter Brueghel de Oude (1520/5-1569) was het panoramisch landschap een vertrouwd verschijnsel in de Nederlandse schilderstraditie. Aanvankelijk waren dat nog fantasielandschappen met een sterk heroïsch karakter, maar bij Philips Koninck zijn het landschappen die ook op zich konden worden bewonderd. Gewoon, zonder verhaal erbij. Voor zijn landschappen, in groot formaat geschilderd, baseerde hij zich feitelijk op directe waarneming. Niet verzonnen in een atelier, maar landschappen gewoon zoals ze te zien waren.

 

NET ALS BIJ DE CONCURRENTEN VAN KONINCK LAG DE KRACHT VAAL IN DE VEREENVOUDIGING, een keuze uit de rijkheid van wat er te zien was. Van Goyen bijvoorbeeld varieerde met slechts een beperkt aantal kleuren; een palet met slechts grijze en bruine tonen met hier en daar een groen accent. Ook de compositie kon eenvoudiger. Net als de Italiaanse schilder Annibale Carracci (1560-1609) van de grote Venetiaanse schilders had geleerd, hadden ook de Hollandse meesters begrepen dat het geheim van het afbeelden van het landschap lag in de geometrie waarmee je als schilder controle kon verwerven over de natuur. De kijkrichting, het perspectief en lijnen in het beeld zorgden voor rust. Maar met de versimpeling in compositie en kleur en een nauwkeurige analyse van wat men met eigen ogen kon zien, was men er nog niet. Jacob van Ruisdael was een schilder die een eigen vertaling zocht bij wat hij buiten zag. Bijvoorbeeld door bij zijn beroemde ‘Haarlempjes’ te kiezen voor een hoger perspectief dan de duinen hoog waren van waar hij leek te schilderen. Ook was er de extra lading. Zijn schilderijen laten er geen twijfel over bestaan dat er achter deze natuur iets groters moet zijn, iets groter dan dat wij kunnen bevatten. Een vooruitkijkje zou je kunnen zeggen, op wat in de negentiende-eeuwse romantiek het Sublieme zou gaan heten.

 

Al vanaf Pieter Brueghel de Oude (1520/5-1569) was het panoramisch landschap een vertrouwd verschijnsel in de Nederlandse schilderstraditie

 

WAT DE LANDSCHAPSSCHILDER GEMEEN HADDEN MET HUN KOPERS WAS DE TROTS OP WAT ZIJN ZAGEN WAAR ZIJ TOE BEHOORDEN. Alleen al van Ruisdael is bekend dat hij vijftien van deze ‘Haarlempjes’ heeft geschilderd. Kennelijk waren deze uitzichten geliefd. Het landschap was zo mooi dat het verder geen symbolische of allegorische duiding nodig had. Het schilderij werd ut pictura poësis, ofwel een schilderij als een gedicht. Dit was het Holland waar de Hollanders trots op waren. Trots op het land dat ze zelf gemaakt hadden. In deze landschappen, zoals dat van Meindert Hobbema, is de versmelting te zien tussen cultuur en natuur. Enerzijds ervaren we de lucht, de wind en de bomen zoals de natuur ons die gegeven heeft, anderzijds is er het landschap dat eromheen gecreëerd is door mensenhanden. Kijken we naar dit landschap, naar de natuur en naar de menselijke bebouwing, dan krijgen we het gevoel dat dit altijd zo was en altijd zo zal blijven. Mens en natuur lijken hier te bestaan in een prettige harmonie.

HET IS EENZELFDE TROTS DIE DELFTENAREN IN DE ZEVENTIENDE EEUW MOETEN HEBBEN GEVOELD bij het zien van het in onze tijd wereldberoemde Gezicht op Delft van Johannes Vermeer (ca. 1632-1675). Het licht dat tussen de wolken door delen van de stad in fel zonlicht zet en de dakpannen van de huizen die op haast mysterieuze wijze tot leven komen, betoveren iedereen die ermee geconfronteerd wordt. Het schilderij wordt vaak in relatie gebracht met de geboorte van de fotografie. Vermeer zou om dit magische beeld te hebben kunnen scheppen, gebruik hebben gemaakt van de voorloper van onze camera. Zo’n camera obscura was een zwarte doos met aan een van de kanten een gat of een lens. Het licht dat hierdoor naar binnen viel, projecteerde een afbeelding op de tegenoverliggende wand. Deze vroege camera had als kenmerk dat het de contrasten tussen donker en licht versterkte en dat het de kleuren feller maakte. Bovendien zijn de kleuren op de achtergrond minder vervaagd dan wat we gewend zijn bij schilderijen van oude meesters. Vermeers meesterwerk vertoont alle kenmerken van deze voorloper van de fotografie. Maar waar het werk doet denken aan een fotografische afbeelding van de stad, laat een nauwkeurige beschouwing zien dat Vermeer de werkelijkheid geheel naar zijn hand zette. Om alles meer in balans te brengen, verplaatste hij op zijn doek gebouwen, zodat de rust van het beeld nog groter zou zijn. Niet alleen compositorisch voegde Vermeer iets toe aan wat hij zag, ook schildertechnisch creëerde hij een prachtige balans tussen de werkelijkheid zoals hij die ervoer en een geïdealiseerde variant ervan. Als een impressionist avant la lettre liet hij door het aanbrengen van verfstipjes het licht van de daken af spatten. Niet een fijnschilder dus die de werkelijkheid streekje voor streekje kopieerde, maar een goochelaar die het kunstje door het publiek liet afmaken. Immers, in onze eigen ogen worden de kleurvlakken wolken, water, steen of dakpannen.

Waar het werk doet denken aan een fotografische afbeelding van de stad, laat een nauwkeurige beschouwing zien dat Vermeer de werkelijkheid geheel naar zijn hand zette.

 

Wat heeft dit allemaal te maken met de foto’s van landschappen in dit boek? Meer dan we ons realiseren. Het lijkt wel of dit Hollandse kijken ons als beschouwer in de genen is gaan zitten. Wij hebben leren kijken zoals de oude meesters ons geleerd hebben. We herkennen het dan ook meteen als een fotograaf hier een verbinding mee maakt. En dat hebben wij niet alleen. Meer misschien nog dan wij ‘Hollanders’ herkennen buitenlanders deze kijk. Ook zij zijn door hun eigen musea bekend met de Hollandse landschappen en veren op als ze het licht, de landschappen en de wolkenpartijen herkennen als ze ons land aandoen of zien in de fotografie van onze landschappen. Martin Kers is internationaal een van de meest bekende voorbeelden van fotografen die de Nederlandse landschaptraditie naar onze eigen tijd heeft getrokken en het in het buitenland heeft laten zien. In zijn foto’s herkennen we de typisch Hollandse lage horizonnen waarbij we zijn fascinatie zien voor wat grillig licht en woeste wolkenpartijen doen met het landschap. Een vertrouwd beeld voor alle forensen die met de trein vanuit hun Vinex-locaties naar de grote stad treinen om er hun werk te doen.

 

Bladerend door de boeken, kalenders of ansichtkaarten van Kers zien we de schoonheid van het landschap zoals het is, zonder verhalen die erin en erover verteld zouden kunnen worden. We herkennen de alertheid van de fotograaf die de magie grijpt als het licht, het landschap en de stedelijke bebouwing, misschien maar een paar seconden, met elkaar samenspannen om een kunstwerk te creëren. We herkennen ook de zoektocht van de fotograaf naar vereenvoudiging. Versimpeling in ons kijken naar compositie en licht. Naar bomenrijen, sloten en fietspaden. En hoe realistisch de foto’s ook zijn, altijd is er zo geschoten dat de poëzie die er soms maar een moment is, precies op het juiste moment wordt gevangen. Dat is het Holland dat wij en onze toeristen zo graag zien en waarbij de aangepaste natuur de verstedelijkte omgeving liefkozend in haar opneemt. Mens en natuur in een harmonie zoals we die zo graag wensen en er ook gewoon zo lijkt te zijn.

 

Het enige dat d