Schermafbeelding 2021-11-21 om 09.46.49.png
cover_UYQKATGGI.png

vmagazine, magazine van vfonds

 

Vfonds (het Nationaal Fonds voor Vrede, Vrijheid en Veteranenzorg) steunt initiatieven en projecten die Nederland er steeds weer aan herinneren hoe belangrijk vrede en vrijheid zijn en hoe waardevol onze democratie is. Daarbij hoort een informatief, diepgravend en mooi magazine in oplage van 10.000 exemplaren.

Vfonds draagt, vanuit de lessen getrokken uit oorlog en conflict, bij aan een sterke democratische rechtsstaat en een vreedzame samenleving. 

 

Met deze steun wil vfonds verschillende generaties inspireren en motiveren om, vanuit de lessen getrokken uit oorlog en conflict, actief bij te dragen aan een sterke democratische rechtsstaat en een vreedzame samenleving.

Het blad verscheen in december 2021 in oplage van 10 duizend exemplaren in opdracht van het vfonds.

 

Gemaakt door Renee Middendorp & Koos de Wilt in samenwerking met Jemma Land  & Lisette Mattaar van vfonds. De vormgeving is van Noortje Boer.

Schermafbeelding 2021-11-08 om 16.51.09.png

Schrijver David Van Reybrouck over de pijn van een gewelddadig Indisch verleden  

‘Veel gaat voorbij, behalve het verleden’  Bijna honderdduizend exemplaren zijn er inmiddels verkocht van Revolusi. Voor zijn boek interviewde de Belgische cultuurhistoricus gedurende vier jaar lang bijna tweehonderd hoogbejaarde ervaringsdeskundigen om te achterhalen wat er echt gebeurde tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd. Een gesprek met David Van Reybrouck over de feilbaarheid van het geheugen, over de pijn na een gewelddadig verleden en de manieren om de uitdagingen van de toekomst aan te kunnen gaan door de confrontatie met het verleden.  

  

Interview: Koos de Wilt voor vmagazine van vfonds

  

Vorig jaar verscheen Revolusi, een monumentaal boek over de onafhankelijkheidsstrijd van Indonesië. Een boek vol verhalen van de laatste nog levende getuigen van de onafhankelijkheidsstrijd, hoogbejaarden in Nederlandse en Indonesische rusthuizen, in Japanse miljoenensteden en op verafgelegen eilanden. Wat levert een boek met herinneringen van gewone mensen op anders dan de verhalen die verteld worden op basis van documenten in archieven? Van Reybrouck: ‘Ik werk graag met interviews. Ik vind dat oral history echt iets toevoegt. Je hoort de stem van mensen die vaak niet doordringt tot de papieren archieven. Archieven zijn nooit neutraal, ze vertegenwoordigen heel vaak de macht en vaak maar één kant van de samenleving. Archieven zijn vaak de neerslag van de bovenkant van de samenleving: van het bestuur, het gerecht, de diplomatie, de legertop en de economische machthebbers. Die verhalen van de veteranen zijn meestal niet terug te vinden in de officiële stukken. Soms kennen we ze uit familiearchieven en uit geschreven familiegeschiedenissen. Maar heel vaak raken ze vergeten. En deze verhalen sterven in de meeste gevallen met het overlijden van de mensen die ze hebben meegemaakt. Het voordeel daarvan is dat ze op het moment zelf zijn geschreven, daardoor hebben ze een onmiddellijkheid, maar aan de andere kant zijn ze vaak gefilterd. Je gaat niet aan je bange moedertje op de Veluwe vertellen in wat voor hachelijke situatie je bent beland. En je zal al helemaal niet vertellen dat je jezelf hebt misdragen. Het voordeel van de interviews die ik heb gedaan is juist dat de tijd erover is gegaan en dat mensen er soms makkelijker over vertellen. Aan de andere kant: wat mensen vandaag zeggen is wat ze vandaag zeggen. Daar is in Indonesië vooral decennialange nationale propaganda overheen gegaan. Dat moet je beseffen. Ik herinner dat ik twee keer een veteraan in Zierikzee heb geïnterviewd en de eerste keer maakte hij zich heel erg kwaad over hoe de klokkenluider Joop Hueting zijn maten door het slijk haalde. Toen ik hem twee jaar later voor de tweede keer sprak, had hij Rémy Limpachs studie De brandende kampongs van generaal Spoor gelezen en zei me dat hij het gevoel had in een ander leger te hebben gezeten en tot een nieuw inzicht was gekomen. Dat is wat er in twee jaar kan gebeuren. Wat in die interviews helpt is dat ik niet vraag naar opinies over wat men van de politionele acties vond, maar triviale dingen vraag als: wat aten jullie, hoe sliepen jullie, hoe zagen jullie uniforms eruit en gingen jullie ’s nachts of overdag op stap?


'Er is al zoveel veel verdringing geweest van pijn bij de eigen veteranen, de pijn van andere groepen mag nog veel minder bestaan. Daardoor zijn allerlei wonden uit het verleden slecht of niet geheeld.' 

De documentairemakers met wie ik een tv-serie maakte bij het boek vertelden mij vaak dat het ze opviel dat ik zo ver ging in het doorvragen. Ik doe dat omdat je dan concrete, tastbare herinneringen krijgt. Door zo door te vragen bij die man uit Zierikzee over hoe zijn dag eruitzag, kwam ik erachter dat hij door zijn slechte ogen eigenlijk altijd op de basis was gebleven en zich daar bezighield met telegrafie. En toen begreep ik waarom zoveel veteranen zo kwaad waren op mensen als Hueting die getuigden over de gewelddadigheden. Het blijkt namelijk dat maar een kwart van de soldaten daadwerkelijk aan de gevechtshandelingen meedeed, driekwart van de militairen hield zich bezig met personeelsadministratie, vrachtwagens repareren, eten bereiden, etc. Oorlog is vooral een enorme logistieke operatie waarbij de meeste mensen zich niet bezighouden met vechten. In mijn boek heb ik het over een plastic gordijn tussen de troepenmacht, tussen de mensen die in het veld stonden en alles wisten en zwegen en degenen die zich bezighielden met logistiek, zoals die man in Zierikzee.’  

  

Joop Hueting 

Lang kregen veteranen te horen dat het beter is te zwijgen en te vergeten. Daar is verandering in gekomen de laatste jaren. Wat betekent dat? Van Reybrouck: ‘We hebben heel lang geloofd dat verdringing de beste manier was om ermee om te gaan. Praat er niet over, dan verdwijnt het wel. Maar de psychologie heeft ons inmiddels geleerd dat veel voorbijgaat behalve het verleden. Dat is ook de titel van een boek van de Belgisch socioloog Luc Huyse: Alles gaat voorbij, behalve het verleden. Het is inmiddels ook de slogan geworden van AfricaMuseum in Tervuren. Het gaat niet voorbij. Ik heb volwassen mannen gezien die in tranen zijn uitgebarsten. Verdringen helpt niet. Het is als het toedekken van een wond waarbij het aan het oppervlak lijkt dat het is genezen, maar eronder is er pus dat eruit wil. Mensen vergeten veel, behalve de trauma’s. Op tv in 1969 hanteerde Joop Hueting een rustige, analytische toon die niet op de details inging, maar aan het eind van zijn leven benoemde hij de rauwe traumatische beelden: een gebedshuis waar mensen door Nederlandse soldaten waren neergemaaid, een vrouw die hem op haar knieën smeekte om haar leven. De geest kan de herinneringen trachten te verdringen, maar het lichaam slaat het allemaal op, zoals de psychiater Bessel van der Kolk schrijft in zijn boek The Body Keeps the Score. Wat de geest niet meer weet of wil weten, schreeuwt het lichaam uit. Gelukkig is daar vandaag meer aandacht voor.’   

  

‘Ik vind dat oral history echt iets toevoegt. Je hoort de stem van mensen die vaak niet doordringt tot de papieren archieven. Archieven zijn nooit neutraal, ze vertegenwoordigen heel vaak de macht en vaak maar één kant van de samenleving.’ 

De Oost  

In de film De Oost probeert de hoofdpersoon Johan de schande van het hebben van NSB-ouders af te schudden en dit goed te maken door naar Indië te gaan. Uiteindelijk leiden alle goede bedoelingen ertoe dat hij betrokken raakte in een oorlog. Hoe kijkt de schrijver aan tegen jongens als Johan? Van Reybrouck: ‘In mijn boek schrijf ik dat de verontwaardiging niet kan stoppen bij het wangedrag van militairen dat er onmiskenbaar geweest is. Maar ik vind het veel te makkelijk om met het morele beschuldigende vingertje alleen te wijzen naar achttienjarige jongens uit Zeeland, Friesland of de Achterhoek of waar ze ook gerekruteerd werden. Dat is niet eerlijk met de structurele problemen van een slechte opleiding en een slechte geestelijke omkadering door aalmoezeniers die ook meededen. In het archief van Hueting vond ik een opsomming van het gebrek aan training, aan opleiding, aan eten, aan manschappen en ga zo maar door. Allemaal structurele factoren die het wangedrag in de hand hadden gewerkt. Maar we moeten ook kijken naar de Nederlandse regering, naar het Nederlandse parlement en naar de hoofdredacties van de Nederlandse kranten op dat moment. De grote les voor mij was dat we ook aandacht moeten geven naar de acties van Louis Beel en Willem Drees. Tijdens de Eerste Politionele Actie was Beel minister-president. Drees was minister-president op het moment van de Tweede Politionele Actie toen Beel als Hoge vertegenwoordiger van de Kroon in Indonesië was om de Nederlandse belangen te behartigen. Ik denk dat Drees in december 1948 beter had moeten weten, maar Beel stuurde vanuit Jakarta echt aan op oorlog. Problematischer was zijn rol in 1949 bij de onderhandelingen op de Rondetafelconferentie over de afkoopsom die Indonesië ging moeten betalen. Eigenlijk was dat verbijsterend: Drees vond dat Indonesië moest betalen voor zijn onafhankelijkheid. Dat is dus vergelijkbaar met hoe slaven in de negentiende eeuw hun eigen vrijheid moesten kopen! Nee, het was nog cynischer: hij vond dat Soekarno zelfs voor de politionele acties moest betalen, want die hadden Nederland veel geld gekost. Ik weet dat ‘vadertje Drees’ gekoesterd wordt als de bedenker van de verzorgingsstaat, maar hij heeft zijn AOW eigenlijk alleen maar kunnen betalen met deze afkoopsom van in eerste instantie zes miljard gulden, later teruggebracht tot zo’n vier miljard. Nederland lag na de Tweede Wereldoorlog in puin en de economie moest in zijn geheel weer worden opgebouwd en feitelijk hebben heel veel bejaarden dus niet ‘getrokken van Drees’ maar van Soekarno. Die heeft tot diep in de jaren vijftig ongeveer tachtig procent betaald van de afkoopsom. Het is dus veel te beperkt om te wijzen naar individuele militairen en naar de achterliggende structuren.

 

‘En toen begreep ik waarom zoveel veteranen zo kwaad waren op mensen als Hueting die getuigden over de gewelddadigheden. Het blijkt namelijk dat maar een kwart van de soldaten daadwerkelijk aan de gevechtshandelingen meedeed.’ 

Je moet kijken naar die mix van militaire, diplomatieke en politieke processen. Het is wat Von Clausewitz in zijn beroemde boek Vom Kriege uit 1832 al scheef: Oorlog is politiek met andere middelen. Dat is absoluut ook het geval bij wat er tussen 1945 en 1949 is gebeurd. Het kantelpunt was het wankele akkoord dat Wim Schermerhorn en Soetan Sjahrir op voet van gelijken in de villa in Linggadjati hadden bereikt. Het compromis verdiende geen schoonheidsprijs, maar het had alle bloedvergieten kunnen voorkomen. In november 1946 was dat akkoord bereikt en het is in de maanden daarna stukje bij beetje uitgehold door de Nederlandse regering en daarna het parlement. In april 1947 komt de Minister van Financiën Piet Lieftinck, bijgenaamd Piet Paniek, tot de conclusie dat de Nederlandse economie in zijn geheel in puin ligt. In een brief geeft Lieftinck de keuze aan het parlement om of de militaire troepen terug te trekken om zo de kosten te drukken of, zo stelt hij in de brief, een militaire slag toe te brengen waardoor de economische productiegebieden in Java en Sumatra in handen zouden komen van Nederland. En daarmee brak Den Haag finaal met het akkoord van Linggadjati.’  

  

'Ik heb volwassen mannen gezien die in tranen zijn uitgebarsten. Verdringen helpt niet. Het is als het toedekken van een wond waarbij het aan het oppervlak lijkt dat het is genezen, maar eronder is er pus dat eruit wil. Mensen vergeten veel, behalve de trauma’s.'

Nieuw-Guinea en de Molukken 

In Nederland hebben we op dit moment te maken met onderbelichte kwesties van Nieuw-Guinea en van de Molukken. Hoe moeten we daar met de ogen van vandaag naar kijken? Van Reybrouck: ‘Nieuw-Guinea is een merkwaardig verhaal omdat tijdens de koloniale periode de Nederlandse belangstelling voor dit gebied helemaal niet zo groot was. De Japanners hadden er meer belangstelling voor omdat het strategisch lag om naar Australië te kunnen gaan. In Linggadjati is Nieuw-Guinea nooit besproken en het gebied kwam pas ter sprake toen de Nederland een laatste stukje van de kolonie wilde bewaren, een plek waar Indische Nederlanders naartoe gebracht zouden kunnen worden. Het werd een laatste stuiptrekking van een overzees koloniaal bezit. Dat heeft tot 1962 geduurd. Het is pijnlijk te zien hoe men in Java op dit moment een soort interne kolonisatie heeft afgekondigd van de Papoea’s. Als het gaat om de Molukse kwestie zien we een vergelijkbaar proces met de harki’s in Frankrijk, de Algerijnen die hebben meegewerkt met de Franse kolonialen. Frank Westerman heeft een boek geschreven over de Molukken, maar de grote film of de grote roman over de Molukse treinkaping moet nog geschreven worden. Ik weet nog dat ik als kind naar de televisie keek en zag hoe het leger de trein bestormde. De kaping was het werk van kinderen van KNIL-soldaten. Het was een gemeenschap die in de jaren vijftig bij wijze van tijdelijke maatregel in Kamp Vught en andere barakken werd gehuisvest en daar jaren later nog zaten. Je kan zeker niet zeggen dat Nederland in de jaren vijftig en zestig ruimhartig is geweest naar deze gemeenschap. Tegelijkertijd: hun kinderen hebben de grootste aanslagen op de Nederlandse bodem gedaan tijdens de treinkaping en de gijzeling van de school in Bovensmilde. Hoe heeft dat kunnen gebeuren? Dat moet je echt uitspitten. Het is moeilijk om je enerzijds op de borst te kloppen over je eigen voortreffelijkheid als je niet de moeite doet te achterhalen wat daar is gebeurd. Er is al zoveel veel verdringing geweest van pijn bij de eigen veteranen, de pijn van andere groepen mag nog veel minder bestaan. Daardoor zijn allerlei wonden uit het verleden slecht of niet geheeld. Het is absurd dat we anno 2021 nog steeds moeten werken aan de wonden van de jaren veertig, maar het zal absoluut noodzakelijk zijn nu we ons moeten voorbereiden op nieuwe uitdagingen als het gaat over klimaatopwarming. Hoe kunnen we collectief aan de toekomst werken als er nog zoveel pijn is van het verleden op zoveel plekken in de samenleving? Ik ben nu bezig met een boek over klimaat en democratie. Het gaat over de kolonisatie van de toekomst, over hoe we onze kleinkinderen aan het bestelen zijn. Daar gaat ook de Huizingalezing over die ik aan het eind van het 2021 mag geven.’  

  

 ‘Ik denk dat de Nederlanders beter waren op het vlak van kolonisatie dan de Belgen, maar de Belgen waren beter op het vlak van dekolonisatie.’  

 

Eerder schreef David van Reybrouck zijn grote boek over het Belgische koloniale verleden met de Congo. Wat zijn volgens de schrijver eigenlijk de verschillen tussen hoe Belgen en Nederlanders omgaan met hun koloniale verleden? Van Reybrouck: ‘Ik denk dat de Nederlanders beter waren op het vlak van kolonisatie dan de Belgen, maar de Belgen waren beter op het vlak van dekolonisatie. De Belgische koloniale tijd was gewelddadiger, hardvochtiger en nog brutaler, maar de Belgische overheden hebben niet gevochten om de onafhankelijkheid te voorkomen. Misschien omdat ze het Nederlandse voorbeeld hadden gezien in de jaren veertig en dat van de Fransen in de jaren vijftig. Toen men in de jaren zestig in Congo ook onafhankelijk wilde zijn, zeiden de Belgen: doe maar, maar achter de schermen bleven ze nog wel de touwtjes stevig in handen houden. Toch is er in België een kentering gekomen wat betreft de omgang met het koloniale verleden. Misschien heeft dat te maken met het feit dat er veel Congolezen in België wonen. Bij jullie wonen er behalve Molukkers en Indische Nederlanders nauwelijks Indonesiërs in Nederland. Er is alleen een migratiestroom geweest van linkse Indonesiërs na de genocide in 1965 van Soeharto. Maar ook in Nederland evolueert het denken en het herdenken. Een lastig verleden laat zich niet verdringen. Alles gaat voorbij, inderdaad, behalve het verleden.’