Directeur van het Stedelijk Museum ’s-Hertogenbosch Timo de Rijk 

'Design is een middel om de wereld te leren kennen'

Niet lang geleden was hij nog hoogleraar Designgeschiedenis aan de Technische Universiteit Delft en de Universiteit Leiden. Sinds september 2016 is Timo de Rijk (1963) directeur van wat het enige echte designmuseum van Nederland wil zijn. Tijdens een lunch in zijn werkkamer en wandelend over de tentoonstelling over radicaal Italiaans design vertelt De Rijk over zijn jeugd in Zeeland, zijn ontdekking van design, en wat hij ermee in het museum wil bereiken (2107).

 

Interview: Koos de Wilt Foto: Eef Bongers
 

In 2005 kreeg Museum het Kruithuis in ‘s-Hertogenbosch een naamswijziging, voortaan heette het Stedelijk Museum ’s-Hertogenbosch. Ook de koers werd aangepast: van keramiekmuseum werd het vooral een museum voor moderne kunst. Nu is de idee om er een designmuseum van te maken, dat is de taak van de ex-hoogleraar design Timo de Rijk. In de witte werkkamer, verborgen achter rijen boekenkasten, met aan de wand een enorm kunstwerk van Rotterdam komt de vraag op of Eindhoven niet een logischer plek is voor een designmuseum. De Rijk: ‘De claim van Eindhoven dat ze de designstad zijn van Nederland, is wat overdreven. Een week per jaar is er wat te doen op dat gebied, verder is er niet veel. Hetzelfde geldt voor overigens voor ‘s-Hertogenbosch, ook dit is niet echt een designstad, maar de Eiffeltoren hoorde ook niet bij Parijs - totdat die was gebouwd. Zo geldt dat ook voor ons designmuseum.’ In het museum wordt dus geen moderne kunst meer geprogrammeerd? De Rijk: ‘Dat wilde de Raad van Toezicht sowieso al niet, ook niet voordat ik werd aangenomen, na de plotselinge dood van de vorige directeur René Pingen. Dit museum heeft vooral bestaansrecht door de bijzondere collectie keramiek en sieraden, het heeft vrijwel geen beeldende kunst. We zijn altijd op ons best geweest met tentoonstellingen over design. Bovendien zouden we in Brabant met beeldende kunst op zijn hoogst een derde positie kunnen bereiken, achter de musea De Pont en Van Abbe. Ik kon mij helemaal vinden in die analyse.’

 

'Mijn interesse in kunst, met name Dada en Warhol, ontdekte ik op de middelbare school, samen met vrienden met wie ik luisterde naar New wave muziek, zoals de Talking Heads en Bauhaus.'

 

Terneuzen

De kunsthistoricus komt bepaald niet uit een cultureel nest, zegt hij nippend aan zijn karnemelk. ‘Mijn vader werkte als technicus bij een chemische fabriek en mijn moeder was huisvrouw. Zij waren echte wederopbouwouders uit Vogelwaarde, een dorpje niet ver van het Zeeuwse Terneuzen. Zij streefden ernaar dat hun kinderen het beter kregen dan zijzelf. Zeeuws-Vlaanderen was een achtergebleven gebied, pas tijdens mijn jeugd werden er de eerste openbare zwembaden en kleuterscholen gebouwd, met subsidies uit Den Haag. Als jongetje was ik altijd al geïnteresseerd in geschiedenis en keek ik iedere week vol spanning uit naar de komst van de Bibliobus. Ik las alles. Ik weet ook nog dat ik in het Rijksmuseum in Amsterdam voor het eerst de kist zag waarin Hugo de Groot zich had verstopt. De confrontatie met dat historisch besef vond ik net zo imponerend als erachter komen dat het heelal oneindig groot is. Mijn interesse in kunst, met name Dada en Warhol, ontdekte ik op de middelbare school, samen met vrienden met wie ik luisterde naar New wave muziek, zoals de Talking Heads en Bauhaus. Na de middelbare school ben ik naar Leiden gegaan, waarvan ik dacht dat het een soort namaak-Cambridge was. Daar kwam ik in contact met toegepaste kunst. Wat ik interessant vind aan design is dat je kennis opdoet over de wereld. Berlijn in de jaren twintig en dertig vond ik in eerste instantie heel interessant, maar ook Art Deco. Dat is mooi, bourgeois, maar ook commercieel. In die tijd was mijn keuze dit te gaan bestuderen bepaald geen bon ton. Het gaat veel verder dan de keurige canon die in de huidige musea wordt verzameld. Nog steeds geldt dat wanneer ik in dit museum zou voorstellen iets aan te kopen van Cartier, dat ik daarvoor mijn best moet doen. De meeste mensen denken bij sieraden meteen aan Cartier, maar om daar als museum iets mee te doen is een heel ander verhaal.’ 

 

Wat heeft de museumdirecteur precies met design? De Rijk: ‘Ik houd van populaire cultuur, ik zit niet heel diep in de abstracte, intellectuele kunst, persoonlijk heb ik meer met design en architectuur. Een vriend van mij, die ook kunstgeschiedenis studeerde, zou na zijn studie naar het prestigieuze Rembrandt Research Project gaan. Ik bedacht toen dat ik dat nooit zou kunnen en willen, een leven lang bezig zijn met onderzoek naar iets heel specifieks. Design is voor mij een middel om de wereld te leren kennen, de breedte spreekt mij aan. Het gaat over alles, zelfs over het broodje dat we hier nu zitten te eten. De bakker, in dit geval de fabriek, doet zijn best om het eruit te laten zien als een authentiek door de bakker gebakken broodje. Een broodje moet op een broodje lijken, het mag niet iets anders zijn. Dat is design. Het drukt een verlangen uit naar het ambachtelijke, naar iets dat niet perfect is, maar het moet ook weer geen misbaksel zijn. Wij kijken op een romantische manier naar zoiets als een broodje. En dat is weer een moderne manier van kijken. We hebben namelijk het imperfecte nodig om het perfecte te kunnen begrijpen. Dat is hoe design functioneert in de maatschappij.’

 

'We hebben namelijk het imperfecte nodig om het perfecte te kunnen begrijpen. Dat is hoe design functioneert in de maatschappij.’

 

Geen kwalificaties

De Rijk ziet een bijzondere paradox als het gaat over cultuur: ‘In boeken over kunstgeschiedenis wordt vaak gesproken over een drang naar verandering, maar in werkelijkheid ervaren we dat juist heel anders. Het gaat veel meer over dingen waarvan we hopen dat ze hetzelfde blijven. Heel veel ontwerpers willen iets maken dat is here to stay . De helft van onze keramiekcollectie bestaat uit pogingen om de ultieme pot of vaas te maken, eentje die nooit meer veranderd hoeft te worden. Het besef dat iets ons nu aanraakt dat in de veertiende eeuw gemaakt is, dat is fascinerend. Ik vind de Nederlandse vertaling van Gombrichs boek Eeuwige schoonheid ook beter dan de oorspronkelijke Engelse titel The Story of Art. Het is de paradox ten top dat het feitelijk een grove belediging is om tegen een modeontwerper te zeggen: ‘Goh, dat is modieus!’ Modieus zijn is een negatieve kwalificatie. Een modeontwerper maakt geen mode, maar couture, dat is tijdloos. Het ultieme compliment dat je een modeontwerper kunt geven, is dat je nog steeds met plezier dat jasje uit 1977 draagt. Ik zou graag af willen van al die kwalificaties in negatieve of positieve zin. Wat interessant is, is dat je door ontwerpen een tijdgeest begrijpt. In de jaren zestig en zeventig keerden veel architecten zich af van de stad. Koolhaas aan de andere kant, had daar geen oordeel over, hij wilde de stad begrijpen en daar vervolgens iets mee doen. Daar kwam zijn architectuur uit voort.’

 

Beeldende kunst is vaak eerder een niche te noemen, design is van iedereen en het gaat over de wereld.

Emancipatie

Design heeft een enorme emancipatieslag doorgemaakt, gaan we het sowieso meer zien in musea? De Rijk: ‘Die beweging is zeker gaande, hoewel bij een aantal musea  onduidelijk is wat ze er precies mee doen. Eindhoven had het Designhuis, maar daar hoor ik weinig meer van.  Het Stedelijk in Amsterdam had twaalf ruimtes voor design, maar die krijgen een andere bestemming. Aan de andere kant zie je dat tentoonstellingen over design, en ook fotografie, enorm populair zijn geworden. Bijna alle grote tentoonstellingen in de Kunsthal gaan daar tegenwoordig over. Dat was wel anders toen ik ooit opdrachten voor hen deed als tentoonstellingenmaker. Ik denk dat design in de breedte voor veel mensen de ideale manier is om in de wereld van de kunst te stappen. Ook design kan krankjorum zijn, zoals een stoel in de vorm van een gekanteld kapiteel, maar je kunt je er wel gelijk toe verhouden. Het is een stoel. Met abstracte kunst ligt dat vaak veel ingewikkelder. Mensen met een werkelijke belangstelling voor cultuur voelen zich vaak buitengesloten bij instituten als de BAK, de Appel en Witte de With. De tentoonstellingen daar zijn vaak heel hermetisch. Een journalist van de NRC vroeg mij een keer of een nichemuseum op het gebied van design wel toekomst zou hebben. Ik antwoordde dat ik zo’n museum helemaal niet zie als een niche. Beeldende kunst is vaak eerder een niche te noemen, design is van iedereen en het gaat over de wereld. Een tentoonstelling over bijvoorbeeld een telefoon vind ik persoonlijk vele malen interessanter dan een vertoning over het huwelijk van Juliana en Bernard. Dat is in mijn ogen vanuit historisch perspectief totaal irrelevant.’

 

De tentoonstelling

Op dit moment is in het Stedelijk Museum ‘s-Hertogenbosch de tentoonstelling te zien over avant-gardistisch Italiaans design uit de jaren zestig tot tachtig: De laatste avant-garde. Radicaal design in Italië 1966-1988. Groepen als Archizoom, Superstudio, Alchimia en Memphis en ontwerpers als Andrea Branzi, Ettore Sottsass en Matteo Thun ontwikkelden in deze jaren een radicale nieuwe visie op vormgeving en de maatschappij. De Rijk: ‘De tentoonstelling gaat over hoe Italiaanse ontwerpers op een niet romantische, maar kritische en artistieke manier naar de moderne tijd keken. Het is vergelijkbaar met hoe Warhol keek naar de abstract expressionisten van zijn tijd, kunstenaars die met een kwast en verf persoonlijke aansluiting zochten met de kunstgeschiedenis. Dat wilde Warhol juist niet. Hij wilde iets doen met de maatschappij waarin hij leefde, hoe lelijk die soms ook was. Ga niet op zoek naar eeuwige schoonheid maar kom de wereld onder ogen, ga op zoek naar de essentie van je eigen tijd. Ed Ruscha deed hetzelfde in 1963 toen hij op een heel droge manier 26 benzinestations fotografeerde en daarmee zijn tijd vastlegde. Het knappe van de Italianen van deze tentoonstelling is dat ook zij de wereld onder ogen zagen zoals die toen was, zij wezen die niet af. Nederlandse ontwerpers zijn meer behoudend en ook normatiever.’

 

'Ook de zogenaamde Dutch Design is romantisch en aanpassingsgericht. Het biedt geen vergezichten op een ander leven. Het reageert op het bestaande, de achterliggende idee is beperkt.’

Is de Stijlgroep misschien een uitzondering? ‘De Rijk: Het is onzin om deze beweging te zien als iets typisch Nederlands. Het was vooral een stroming die in Berlijn en in Moskou bloeide. Van Doesburg was nooit in Leiden te vinden en in Nederland zijn misschien vijf gebouwen gerealiseerd naar de principes van de Stijl, waarvan er één compleet is uitgevoerd, het Rietveld-Schröderhuis in Utrecht. Typisch Nederlands was in de jaren dertig veel meer de Amsterdamse School, die was gebaseerd op baksteen, deels in de traditie van de zeventiende eeuw. Dat begrepen mensen veel beter dan die ultramoderne Stijlgroep. Als het Schröderhuis in die tijd al in het nieuws kwam, dan werd steevast een opmerking gemaakt als: hoe kun je daar nou in wonen? Voor de Tweede Wereldoorlog vonden de belangrijke revolutionaire bewegingen plaats in Berlijn, Moskou en New York, de radicale avant-gardistische kant van het modernisme is aan Nederland voorbij gegaan. Na de Tweede Wereldoorlog wilden we met terugwerkende kracht aan de goede kant staan, als een morele keuze, maar feitelijk zijn we altijd volgend geweest. In de jaren zestig en zeventig waren de Duitsers, Engelsen, Italianen en Japanners belangrijk, weer niet de Nederlanders. We zijn nooit meegenomen in de maalstroom van de modernisering, wij bleven hangen bij de zitzak en het woonerf. Het design dat er in de wereld toe deed kwam uit sterk gepolariseerde landen. Landen die met zichzelf in het reine wilde komen en waar bewegingen waren als de Baader-Meinhof-groep en de Brigate Rosse. Die hadden wij niet. Wij hebben dan misschien wel tienduizenden mensen over de kling gejaagd in Indonesië, maar wij hebben onszelf steeds wijs gemaakt dat we altijd neutraal zijn geweest, net zoals we allemaal in het verzet hebben gezeten. Daar komt geen radicale vormgeving uit voort. Ook de zogenaamde Dutch Design is romantisch en aanpassingsgericht. Het biedt geen vergezichten op een ander leven. Het reageert op het bestaande, de achterliggende idee is beperkt.’

 

CV

Timo de Rijk (1963) is kunsthistoricus (Leiden, 1982-1988) en werd tijdens zijn studie specialist bij Stockum’s Veilingen in Den Haag. Hij schreef een proefschrift over Het elektrische huis (1998, TU Delft) en werd vervolgens docent aan de Design Academy Eindhoven, tentoonstellingenmaker en hoofdredacteur van Dutch Design Yearbook. Weer later werd hij universitair docent designgeschiedenis (TU Delft),  bijzondere hoogleraar Design Cultures (VU Amsterdam) en hoogleraar designgeschiedenis aan de Technische Universiteit Delft en de Universiteit Leiden. Hij is onder meer voorzitter van de BNO (Beroepsorganisatie Nederlandse Ontwerpers) en is ambassadeur van platform What Design Can Do. Tegenwoordig is hij vooral directeur van Het Stedelijk Museum ’s-Hertogenbosch.

  • Facebook - Grey Circle
  • LinkedIn - Grey Circle
  • Twitter - Grey Circle
  • Instagram - Grey Circle