cover_USSW9EYI6Y.png

Binnenkijken bij restaurator Lara van Wassenaer in de Amsterdamse Jordaan

 

‘Wat bewaard is gebleven, moet worden gekoesterd’

 

Tekst & beeld van Koos de Wilt voor Collect

 

Het restauratieatelier ligt achter de ijzeren poorten van een voormalige klokgieterij in een smal straatje in de Amsterdamse Jordaan. In het atelier boven werken drie vrouwelijke restauratoren heel geconcentreerd aan drie oude doeken: een religieus schilderij van Jan de Bray (1627-1697), een achttiende-eeuws familieportret van de familie Six en een reusachtig dierenschilderij van Jan Roos (1591-1638). Op de achtergrond klinkt een Gymnopédie van Eric Satie en via de vensters op het zuiden komt een najaarszonnetje binnen. Lara van Wassenaer is net bezig met thee te zetten en legt ondertussen uit wat de mooiste opdrachten zijn. ‘De meest interessante schilderijen zijn die waar er complexe problemen moeten worden opgelost, de naam van de schilder boeit me minder. Onder vernislagen is er enorm veel te ontdekken. Ons werk gaat eerst over vernis, retouchesringen en overschilderingen verwijderen, pas daarna kom je bij de originele verf. We zijn zo’n tachtig procent van onze tijd bezig met het weghalen van wat tijdens vorige restauraties is aangebracht. Daaronder vind je wat de schilder heeft bedoeld, soms zelfs andere composities die onder de schilderingen zitten en soms signaturen die ineens zichtbaar worden.’ 

 

'In Italië is men heel terughoudend. Daar moet je alle retouches kunnen zien als je heel dichtbij staat.'

Florence

Lara van Wassenaer (1969) is de jongste van zeven kinderen die opgroeide op het Eiland van Nederhemert in de Bommelerwaard in Gelderland. ‘In mijn jeugd hoorde ik veel verhalen over kunst die werd verwoest en dingen die er nog zijn en waar we zuinig op moeten zijn.’ Ze woonde tegenover de ruïnen van het veertiende-eeuwse Kasteel Nederhemert. Dit familiekasteel werd in de laatste maanden van de oorlog verwoest. Van Wassenaer: ‘Wat bewaard is gebleven, moet worden gekoesterd, dat was wat mij met de paplepel werd ingegoten.’ 

De restaurator gaat op een tafel in haar werkkamer zitten. ‘Ik vond het als kind al fijn om dingen te repareren die kapot vielen. Toen ik op mijn zeventiende mijn vader vertelde dat ik restaurator wilde worden zei hij dat ik dat eerst maar eens moest gaan uitproberen. Ik ben toen bij een restauratieatelier in Londen stage gaan lopen waar ik eindeloos bezig was met bladgoud vergulden. Ik merkte dat ik het heerlijk vond om met mijn handen te werken en daar ook het geduld voor bleek te hebben. Ik ben daarna aan de Università Internazionale dell’Arte de opleiding tot schilderijenrestaurator en een studie museologie gaan studeren. Hier in Nederland was daar nog geen opleiding voor. Nu is het ook in Nederland een postdoctorale opleiding. Na Florence liep ik stage in museum Belvedere in Wenen, een museum met de belangrijkste collectie Oostenrijkse kunst, van de Middeleeuwen tot en met de twintigste eeuw. Daarna ben ik in Nederland voor een paar restauratoren gaan werken en voor Instituut Collectie Nederland. Daarna begon ik voor mezelf.’

‘Tegenwoordig wordt alles gedocumenteerd en moet het reversibel zijn.’

Gedocumenteerd en reversibel

Wat vindt een restaurator zoal op oude schilderijen? Van Wassenaer. ‘In de zeventiende eeuw is er heel veel in Nederland geschilderd dat in de achttiende eeuw met een nieuwe vernislaag werd verfrist om er minder dof uit te zien. In de negentiende eeuw zijn die schilderijen heel bruin geworden door al die vernislagen. Die zijn er met de kennis van toen afgehaald. Men is bijvoorbeeld met de pettenkoffertechniek die vernislagen gaan regenereren in een kist met fluweel en een oplosmiddel. De dampen bleken niet alleen de vernislagen te regenereren maar ook de onderste verflagen. Goedbedoeld en terughoudend behandeld, maar achteraf bezien rampzalig. Tegenwoordig wordt alles gedocumenteerd en moet wat we doen reversibel zijn. Restauraties in de toekomst, in een tijd dat we technisch nog meer aankunnen, kunnen dan hersteld worden waarbij alles wat wij hebben aangebracht ongedaan kan worden gemaakt met weinig of geen risico voor het origineel en waarbij precies is beschreven wat we nu hebben gedaan en wat voor materialen werden gebruikt.’  

 

Koninginnen en koningen 

Lara’s man is de Zweedse portretschilder Urban Larsson. Hij heeft tegenwoordige koninginnen, koningen en beroemde Nederlanders vereeuwigd zoals oude meesters dat deden. In 2017 had hij een overzichtstentoonstelling in het Sven-Harris konstmuseum te Stockholm en met een selectie daaruit in de Mesdag Collectie in Den Haag. Lara en Urban ontmoetten elkaar in Florence waar hij bij Studio Cecil & Graves studeerde en Lara haar opleiding schilderijenrestaurator deed. Na hun studie zijn ze samen in Amsterdam gaan wonen en werken, zij als restaurator en hij als schilder, uiteindelijk in een van de ateliers van G.H. Breitner op het stille Prinseneiland. Lara: ‘Wij kijken allebei heel graag naar mooie dingen, maar doen dat ook met andere ogen. Ik heb de neiging te kijken naar de conditie van een schilderij, wat door de tand des tijds kapot is gegaan en bescherming behoeft. En ik kijk ook graag even naar de achterkant van het werk. Wat we allebei interessant vinden zijn de studies over technieken en recepten door de eeuwen heen. Zo is er tegenwoordig veel meer onderzoek gedaan, door met name de musea, waardoor en veel meer nieuwe informatie bij is gekomen. Urban gebruikt dat om schilderijen te maken en ik om te restaureren. Hij maakt, net als de oude meesters, zijn eigen verf. Loodwit kun je dan zo stijf en in dik maken als je wilt om zo het hooglicht neer te zetten en of het blauw een vloeiend, dunner karakter te geven. Als je ze in een tube koopt heb je overal dezelfde tandpastaconsistentie.’ 

 

'In Engeland haalden ze altijd heel makkelijk de nieuwere vernislagen van de eeuwen erna eraf, de Italianen vinden de patine, de tand des tijds die je ziet, ook moet meetellen.’

Opvullen of invullen

Restaureren kan op vele manieren, legt Van Wassenaer uit: ‘Het verschilt per land. Ik heb in Londen, Florence, Wenen en in Nederland gewerkt waar ze allemaal anders tegen het vak aankijken. In Italië is men heel terughoudend. Musea geven daar vaak de voorkeur alle retouches te laten zien met de trateggiotechniek waarbij je, alleen als je heel dichtbij staat, kunt zien dat de retouche uit kleine puntjes of streepjes bestaat. In Nederland willen we eerder geïntegreerde retouches, dat je het niet ziet. Als bij een portret een oog ontbreekt dan vinden wij hier in Nederland dat er een oog gereconstrueerd moet worden op basis wat we van het andere werk van de kunstenaar weten. In Italië vullen ze liever het gat op met de geïntegreerde kleuren. In Engeland haalden ze vernislagen van de eeuwen ervoor eraf, de Italianen vonden dat je de patine, de tand des tijds die je ziet, ook moet laten meetellen.’ Ook bij Nederlandse schilderijen blijf je de geschiedenis goed zien, volgens Van Wassenaer: ‘Het diepblauwe pigment smalt wordt op den duur grijzig. In het tapijt dat je ziet op De Staalmeesters van Rembrandt bijvoorbeeld is veel smalt gebruikt en dat heeft dus een andere kleur gekregen. We weten ook bij Van Gogh hoe verschoten zijn schilderijen zijn, maar ook die worden niet meer teruggebracht naar de eigenlijke kleuren. We weten vrij goed hoe mensen het in de eigen tijd hebben gezien, maar dat brengen we niet terug op het doek. Je kunt het wel educatief, virtueel op beeld laten zien wat het ooit geweest moet zijn, maar no way dat we dat reconstrueren. We blijven af van de hand van de meester.’

  • Facebook - Grey Circle
  • LinkedIn - Grey Circle
  • Twitter - Grey Circle
  • Instagram - Grey Circle