’Als je iets nog nooit gezien hebt, is dat dan mooi of lelijk? Dat weet ik niet. Eigenlijk bestaan mooi en lelijk niet. Natuurlijk zijn er dingen die je wel of niet pleasen, maar dat zijn ervaringen, dat zijn niet de dingen zelf. Als je alleen uitgaat van wat mooi en lelijk is, bouw je een referentiekader op van wat je al kent en kom je nooit toe aan iets dat dingen verandert, iets dat vernieuwt.’  Koos de Wilt voor het boek Passie voor kunst (2003)

‘Iets was je helemaal begrijpt is saai’

Architect Cees Dam over kunst en architectuur

Foto: Yvette Zellerer

voor boek Passie voor Kunst

Architectuur maakt me gelukkiger. Ze combineert het sociale, maatschappelijke, economische en filosofische. Ze geeft ruimte aan andere kunstvormen. Je kunt erin werken, wonen, dansen, kortom: leven. Als het goed is neemt architectuur niet alleen ruimte, maar geeft ze die ook terug. Niet alleen het bouwwerk is van belang, maar ook de ruimte tussen de gebouwen. Dat geldt ook voor beeldhouwwerken. De David van Bernini kijkt je aan en neemt zo de ruimte om hem heen mee. Dus niet alleen het fysieke beeld bepaalt het kunstwerk, maar ook de ruimte eromheen. Architectuur wordt de moeder van de kunst genoemd. Als je de kunstvormen analyseert, heb je beweging (dat wil zeggen, de dans), het verwoorden en het denken (de literatuur), de uitbeelding ervan (de beeldende kunst) en dan heb je nog de zang in combinatie met de muziek. Vervolgens heb je de ruimtelijke vormgeving: dus de beeldende kunst en het industrieel ontwerpen. Uiteindelijk kom je uit bij de architectuur. Architectuur is de meest conceptuele vorm van de alle kunsten. Daarnaast is architectuur de minst individuele en de meest praktische kunstvorm. Bovendien bevat ze ook filosofische, analytische en strategische elementen.

 

‘Klee maakte fijnzinnige tekeningen die van veraf, maar ook van
dichtbij heel mooi zijn: een almachtige kwaliteit’

 

Bij kunst en architectuur is kijken het belangrijkste. En kijken naar iets wat je nog nooit hebt gezien, vind ik het meest interessant. Soms word ik wel eens moe van mezelf, maar ik kan dat niet op slot zetten. Je moet open staan voor alles en dat doe ik ook, want in je eigen referentiekader kun je dingen missen. Je moet voortdurend je innerlijke ervaringen kunnen verzetten. Creativiteit is dingen bedenken die er nog niet zijn of die anders kunnen. Goede kunst geeft een slag aan je denken en geeft antwoorden op verschillende vragen.

 

Ik laat mij inspireren door Plato tot en met Mies van der Rohe. Ik houd van de lichtval van Rembrandt en de luchten van Ruisdael, van het werk van de kunstenaar Struyken, maar ook van Marx die in de jaren veertig in Brazilië zeer interessante pleinen en schilderijen maakte. Ik vind de objecten van de jonge Amerikaanse kunstenaar Lindberg fantastisch, maar ik vind daarnaast Paul Klee ook nog steeds heel inspirerend. Hij maakte fijnzinnige tekeningen die van veraf, maar ook van dichtbij heel mooi zijn. Dat vind ik een almachtige kwaliteit.

 

Bij kunst en architectuur is kijken het belangrijkste. En kijken naar iets wat je nog nooit hebt gezien, vind ik het meest interessant.

 

In Nederland spreken me de schilderijen van Jan Schoonhoven mij zeer aan. Die hebben zulke intensiteit dat ze de totaliteit van het leven lijken te bevatten. Als je me vraagt door welke kunstenaar ik mij laat inspireren, dan voel ik me creatief een geestverwant van Hans van Manen. Bij zijn balletten kan ik tranen in mijn ogen krijgen. Ik denk wel eens: dat je zo oud moet worden om zoiets moois te maken.

 

Ik houd erg van contrastwerking. Als je twee schilderijen aan de muur hangt, moet er één passen en het andere niet. Het dubbele maakt het interessant om naar te kijken. Ofschoon alles altijd in een context staat, hoort een schilderij in principe alleen bij zichzelf. Als het voldoende kwaliteit in zichzelf heeft, geeft het ruimte en neemt het tegelijkertijd ruimte. En dan hoort het ergens wel of niet. Alleen als het heel goed is, hoort het overal. Marc Chagall heeft bijvoorbeeld het plafond van de Opera in Parijs beschilderd. Dat is niet de eerste kunstenaar aan wie je zou denken om dat te doen, maar het werk heeft zoveel kwaliteit dat het in die rare gouden doos past. Het werk van Braque in een gouden zaal van het Louvre past ook.

 

‘Ik houd erg van contrastwerking. Als je twee schilderijen aan de muur hangt, moet er één passen en het andere niet. Het dubbele maakt het interessant om naar te kijken.’

 

Wat je vaak ziet is dat kunst iets aan een gebouw moet geven dat op zichzelf niets heeft. De kunst moet het gebouw dan redden. Dat zie je vaak bij banken. Dan moet de kunst het onvermogen van de architect verhullen. Maar kunst moet niet corrigeren, het is geen toegepaste vorm, het is een ingepaste vorm. Iets wat alleen maar een buitenkant heeft, dat leeg is, vind ik niet interessant. Ik zoek in mijn werk naar een nieuwe inhoud, want die bepaalt uiteindelijk de vorm. En dat gebeurt van binnenuit. Van buitenaf bepalen heel veel omstandigheden de vorm, maar van binnenuit wordt bepaald wat het voorstelt. Binnen en buiten zijn met elkaar verbonden. Als je iets nog nooit gezien hebt, is dat dan mooi of lelijk? Dat weet ik niet. Eigenlijk bestaan mooi en lelijk niet. Natuurlijk zijn er dingen die je wel of niet pleasen, maar dat zijn ervaringen, dat zijn niet de dingen zelf. Als je alleen uitgaat van wat mooi en lelijk is, bouw je een referentiekader op van wat je al kent en kom je nooit toe aan iets dat dingen verandert, iets dat vernieuwt. Het is niet verbazingwekkend en je belandt steeds weer bij wat je al kent. Dat is het gevaar van het postmodernisme.

 

‘Eigenlijk bestaan mooi en lelijk niet. Natuurlijk zijn er dingen die je wel of niet pleasen, maar dat zijn ervaringen, dat zijn niet de dingen zelf’

 

Ervaringen kunnen me iets doen. Soms maken die me onrustig, soms rustig. Sommige ervaringen doen me nadenken over de dingen waar ik mee bezig ben. Een ballet van Hans van Manen kan me bijvoorbeeld doen nadenken over de ontwerpen waar ik zelf mee bezig ben. Het ballet activeert dan mijn denken. Iets wat je helemaal begrijpt is saai, is niet interessant. Wat overigens niet betekent dat alles dan maar zonodig opwindend moet zijn. De marketingarchitectuur en marketingkunst die coût que coût willen opvallen zonder dat het onderwerp interessant is, die steeds in de discussie komen en steeds maar weer in de media, die geloof ik verder wel.

 

Het is ook wel eens goed als kunst niet in de media komt en wel gewoon goed is — bijvoorbeeld een gebouw dat je doet verbazen, dat verwondert, dat perspectief geeft in de beleving van jezelf en dat ruimte geeft aan jezelf. Een goed gebouw geeft een gevoel van goed leven, geeft je soms een tevreden, maar soms ook ontevreden gevoel. Elke belevenis die je zou kunnen hebben waar de ander je de ruimte voor geeft, kan interessant zijn. Kán, móet niet. Bij marketing moet je allerlei dingen en dat is niet goed. Ik moet niets, ik moet helemaal niets! Als je alleen maar surft op de golven van wat er aan de hand is, dan ben je alleen maar een surfer. Onze directe wereld wordt groter en de communicatielijnen worden korter. Rembrandts wereld was niet groter dan wat hij kon zien tussen Leiden en Amsterdam. Onze wereld is groter dan ooit, maar ook kleiner, want uiteindelijk ben je in je eentje, met je eigen cultuur en je eigen ik. In mijn werk moet ik voortdurend zoeken in mezelf, maar ik kan niet zonder de ander. Het is een wisselwerking. Dat geldt ook voor mijn opdrachtgevers: ik haat ze en ik houd van ze. Hoe intensiever het contact hoe liever. Maar je kunt geen mooie dingen maken als je alleen maar van iemand houdt, dat bestaat niet! Dat gedoe dat je van iedereen moet houden en dat je dan iemand bent, dat is gewoon niet waar. Als je dat denkt ben je belast met de erfzonde.

 

CV

Cornelis Gregorius Dam is op 31 juli 1932 geboren in Velsen. In 1963 studeerde hij af aan de Academie van Bouwkunst HBO in Amsterdam en in 1964 vestigde hij een eigen bureau te Heemstede. In 1968 vestigde hij zijn bureau te Amsterdam. Hij werd in 1993 hoogleraar Architectuur aan de Faculteit Bouwkunde van de TU Delft. In 1995 werd hij daar decaan. Daarnaast bekleedde en bekleedt hij vele nevenfuncties in de wereld van de architectuur en de kunsten en maakte hij televisieseries over architectuur voor Teleac en de AVRO. Dam is verantwoordelijk voor onder meer het Moller Instituut in Tilburg, het stadhuis van Almere, het Huis van de Toekomst in Rosmalen en in Amsterdam de Stopera en restaurant Le Garage. Meer recentelijk ontwierp hij het woongebouw en stadsvilla’s De Omval in Amsterdam (1997), het Centraal Belastingkantoor, de Wilhelminatoren en Galleria op de Kop van Zuid te Rotterdam (1997), het hoofdkantoor van KPN Telecom in Den Haag (2000) en de rechtbank van Lelystad (2001). Thans is hij — met zoon Diederik — verantwoordelijk voor de uitbreiding en verbouwing van het Museum voor Religieuze Kunst in Uden en de herstructurering en uitbreiding van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij in Den Haag. Dam was gehuwd met Josephine Dam-Holt en is vader van dochter Janiek en zoon Diederik.

Boek over wat mensen hebben met kunst

Voor het boek ‘Passie voor kunst’ en het AVRO-televisieprogramma ‘Liefhebbers’ interviewde Koos de Wilt prominente Nederlanders uit de wetenschap, politiek, het bedrijfsleven over de kunst.

  • Facebook - Grey Circle
  • LinkedIn - Grey Circle
  • Twitter - Grey Circle
  • Instagram - Grey Circle