Ja ja, het stond in de gebruiksaanwijzing...
- Koos de Wilt

- 2 uur geleden
- 4 minuten om te lezen

Het stond duidelijk in de gebruiksaanwijzing: een hond wordt een jaar of twaalf en soms veertien, hooguit vijftien. Ik zag het ook op een poster bij de dierenarts waar ik de laatste tijd met Tobi vaak naartoe ging: een levensloop van een hond hield gewoon op bij veertien. Meer paste niet op de poster. Dat was het. Maar ja, dat paste natuurlijk helemaal niet. Hij was immers een centraal persoon in het gezin. iemand die altijd een beetje een kind bleef en altijd luisterde, altijd lief was, altijd wel in was voor een knuffel en jou - om aantoonbare onzinnige redenen - het allerbelangrijkste vond van de wereld.
Maar Tobi werd zichtbaar ouder de laatste tijd – vooral voor anderen: zijn ogen werden doffer - van de staar - en hij kon eigenlijk alleen nog iets horen als ik in mijn handen klapte. Ruiken, ja dat kon hij nog als de beste en daar nam hij ook steeds meer de tijd voor. Wandelen met hem werd dan ook steeds meer meditatief naar de horizon turen. Ik weet nog wel dat ik altijd zei dat ie nog zo opvallend zacht was als ik hem aaide — als een konijntje zo zacht. Maar de laatste tijd drong het pas tot mij door dat dat eigenlijk al lang niet meer zo was. Een eigenlijk moesten we elke dag stofzuigen en voelde zijn vacht inmiddels meer aan als een stug tapijt. En hij had ineens ook een rare bobbel op zijn been, die er - als ik op oude foto's keek - er eigenlijk al langer bleek te zitten. Ik ging de laatste twee jaar al naar de dierenarts om hem lasertherapie te geven. En dat hielp wel, geloofde ik. Maar iedereen die hem zag, zei: 'een ouwetje he?' Ik ontkende dat altijd: hij was nog als een puppy, alleen doet zijn lichaam het misschien niet meer 100 procent . Ik wist het wel: Tobi was oud en zou het statistisch gezien niet lang meer doen. Maar als wij elkaar in de ogen keken, hielden we elkaar gewoon voor de gek. Tobi was er en zou er altijd zijn. Zoals ik er ook altijd zal zijn.
Maar ja, opeens was ie er dus niet meer. Hij kreeg een vreemde aanval en liep met schuim op zijn mond over de tafel. En even later liep hij weg op de warme avond waarop ik had besloten maar buiten te slapen met hem. In de tuin, ik op een stretcher en hij in het gras, deed ik mijn ogen dicht. Hij bleef maar wat hijgen en rare rondjes draaien . En, omdat hij zo zijn eigen agenda had, vond ik het oké dat hij even het tuinpad afliep. Hij weet immers waar zijn huis woont, zoals ik altijd tegen iedereen zei. Maar deze nacht kennelijk niet meer. Na een kwartiertje zijn we hem maar gaan zoeken en dat hebben we de uren erna ook gedaan in ons pikkedonker en doodstille dorp. Maar Tobi was weg en bleef weg.
Beetje naïef, maar ik was nog wel in de veronderstelling dat we 's morgens zouden worden gebeld dat er een leuke hond met balletjes aan het spelen was ergens in een achtertuin. Niet dus.
Dan vorderen de uren in de ochtend en in de middag en is inmiddels heel het dorp via alle sociale media gemobiliseerd om in de achtertuin te kijken. En dan aan het einde van de middag is er dan het belletje. 'Ik hoop dat het niet waar is, maar....' En daar dreef hij met zijn vachtje net boven het water. Het was hem echt en zijn ogen waren nog helemaal helder. Hij keek mij zelfs nog gewoon aan, alleen waren zijn benen verstijfd. Het was echt zo. Die rare grappenmaker was er niet meer.
Maar dan blijkt hij er toch nog maximaal te zijn in alles wat je doet. Want wat doe je met het velletje van de zalm, waarom maak ik de achterklep van de auto open en waar denk ik aan om half zes, als het etenstijd is? Hij blijkt ineens op bijna alle foto's te staan van onze dochter, vele duizenden. Er ligt ineens niks meer naast mij als ik op het tapijt tegen de bank zit en mijn laptop opensla. Ik zie een week lang geen mensen meer van wie ik vaak niet eens wist wat ze in het dagelijks leven doen, maar tegen wie ik elke dag vrolijk goeiemorgen, -middag en - avond zei. Ik vind tennisballetjes in de struiken, een poepzakje in mijn regenjas, een volle bokaal met brokjes die nog niet zijn weggegooid, En midden in de kamer is er nog steeds de nieuwe, hippe mand waarin hij nog nooit vrijwillig had gelegen. Wel ernaast. En er is nog de halsband bij de jassen.
Een vriend zei: het is veel erger dan het verliezen van je moeder of vader. Iemand die wel van provocerende uitspraken houdt. Maar toch, ik begrijp hem wel. Want hij was er echt altijd. Hij was nooit chagrijnig als ik te laat thuis kwam. Integendeel: nog nooit was hij dan zo blij. Hij keek je altijd maar aan met de blik van: gaan we nog wat leuks doen zo? Hij draaide als een kleuter voor de deur als het dan uiteindelijk ging gebeuren. 'Hij is zo lief omdat je hem te eten geeft', zeggen mensen die geen honden hebben gehad. Hondenbezitters weten wel beter: in de tienduizenden jaren dat ze onder de mensen zijn, is het doel in hun leven steeds duidelijker geworden: bij jou zijn en jou blij maken.
En ook: jou ontzettend verdrietig maken op het moment dat hij het hoekje omgaat...




































































Opmerkingen